Geschiedenis van Suriname

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van Suriname

Inhoud

[bewerken] Prehistorie

Archeologische opgravingen wijzen uit dat rond 10.000 voor Christus de eerste paleolithische jagers zich vestigden in Zuid-Suriname. Waarschijnlijk zijn deze echter niet lang gebleven.

[bewerken] Arawak-cultuur

Rond 3000 voor Christus ontstonden in het centrale Amazonebekken in de omgeving van Manaus (Brazilië) de eerste vormen van landbouw. De stam die hier woonde werd daardoor steeds talrijker. De taal die hier werd gesproken was het proto-Arowak. Er kwam een migratiestroom op gang, waarbij gezocht werd naar nieuwe goede alluviale landbouwgronden, voornamelijk langs rivieren. Omdat de Amazone stroomafwaarts al werd bewoond door andere Tupie sprekende stammen, trokken deze Arowakken (Kali'na) stroomopwaarts richting de Rio Negro en de Orinoco.

Rond 500 na Christus trokken afstammelingen van deze Arowakken van deze Mabaruma-cultuurfase vanuit het Westen het laagland van de Guyana's binnen en verdreven waarschijnlijk de Surinen, een primitief volk dat leefde van visvangst en schelpdieren. Van deze Surinen is waarschijnlijk de naam Suriname afkomstig. De Arowakken vestigden zich vooral langs de kust, maar trokken ook via de rivieren het binnenland in, tot aan de stroomversnellingen van Wonotobo, waar overblijfselen van deze stammen zijn gevonden. De Arowakken vormden waarschijnlijk een goed ontwikkelde beschaving die vanwege de veel voorkomende overstromingen in de moerassen van het kustgebied kleiterpen opwierpen om hun vruchtbare landbouwgrond en woongebied te beschermen. Ze waren vooral landbouwers, vissers en verzamelaars. Ze cultiveerden de cassave, ananas, kalebas, papaja, tabak, katoen en pijlriet en richtten zo een bloeiende samenleving op.

[bewerken] Andere stammen

Naast de Arowakken vestigden zich verder onder andere (soms op beperkte schaal) de volgende stammen:

[bewerken] Karaïbentijdperk

Rond 1200 na Christus werd het gebied binnengevallen door de Koriabo (Karaïben) die onder andere de Arowakken verdreven van hun landbouwgronden en daarmee de landbouwcultuur ineen deden storten. De Arowakken gingen daarna weer over op slash & burn-landbouw in het binnenland. De Koriabo veroverden vooral de kuststreken en rivieroevers. Deze tijd wordt ook wel aangeduid als de Koriabo-cultuurfase, naar de Koraibo kreek in Guyana, waar de eerste overblijfselen van hun periode werden gevonden.

[bewerken] Kolonisatie

In 1492, toen Columbus op de Bahamas landde, waren er gevechten tussen de Koriabo's en Arowakken. Columbus werd gewaarschuwd voor deze agressieve stammen op het continent, en voer eerst de kust langs in 1498. In 1499 bezochten de ontdekkingsreiziger Amerigo Vespucci en Alonso de Ojeda het gebied. De Ojeda landde als eerste op de kust bij de Marowijne. Aan het einde van de 16e eeuw zeilden de eerste Nederlanders naar Zuid-Amerika vanwege het zout, tabak en edelmetaal. Na een aantal succesvolle reizen, vestigden zich de eerste Nederlanders in het gebied, dat aangeduid werd als de Wilde Kust. Deze vestigingen zijn weer opgeheven, niet alleen vanwege de tegenstand door de lokale stammen. In 1621 had de West-Indische Compagnie het als octrooigebied verkregen, met de achterliggende bedoeling het de Spanjaarden en Portugezen in Zuid-Amerika zo lastig mogelijk te maken. De strijdende partijen probeerden zoveel mogelijk schepen te kapen.

In 1616 was de eerste vestiging door Nederlanders in Essequibo ontstaan, in 1627 die in Berbice, die niet veel voorstelden en eerst in de 18e eeuw tot ontwikkeling kwamen. In 1630 werd er door een kapitein, genaamd Marshall, een poging gedaan tabak in Suriname te planten, maar deze onderneming mislukte, alhoewel bijna alle soldaten in het Staatse leger rookten. In 1650 vestigden zich een klein groepje Engelsen aan de Surinamerivier. Het was een expeditie, uitgaande van Lord Francis Willoughby, de Britse gouverneur van Barbados. Vanwege de Engelse burgeroorlog was een stroom van vluchtelingen op gang gekomen naar de Barbados, dat inmiddels vol raakte. De door hem zelf betaalde expeditie bestaande uit drie schepen stond onder leiding van majoor Anthony Rowse, de eerste gouverneur van Suriname. Hij wist zich te verzekeren van de goedgezindheid van de indianen. Twee jaar later kwam Willoughby zelf langs om zijn nieuwe bezit te aanschouwen: de productie van suiker bleek uitermate winstgevend en de aanplant van suikerriet, de bouw van molens en de aanvoer van ketels werd met meer voortvarendheid ter hand genomen.

De kolonie, genaamd Willoughbyland, bestond uit 30.000 acres en het fort Willoughby; in 1663 uit ca. 50 suikerplantages. Het werk werd vooral gedaan door de lokale bevolking en 3.000 ingevoerde Afrikaanse slaven. Om meer planters aan te trekken werd door de Engelsen religieuse vrijheid gepropageerd. De ca 300 kolonisten werden gevolgd door Engelse Quakers en Portugese joden uit Mauritsstad in Nederlands-Brazilië. Ver van de Paramaribo stichtten zij de Jodensavanne. (Daar hadden de slaven op zaterdag vrij, maar moesten op zondag werken).

[bewerken] Nederlands Guiana en Nieuw Amsterdam

De Engelsen hielden zeggenschap over het gebied tot 27 februari 1667, toen Abraham Crijnssen, ten tijde van de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, na een drie uur durend gevecht het fort veroverde en William Byam, de tweede gouverneur, zich over gaf vanwege een gebrek aan kruit. De Zeeuw Crijnssen hernoemde de versterking tot Fort Zeelandia. Bij de Vrede van Breda, getekend op 31 juli 1667, mocht de Republiek Suriname houden in een soort ruil met Nieuw-Nederland dat door de Engelsen was veroverd. Nadat de Britten Suriname hadden heroverd en weer verloren, en de Hollanders tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog Nieuw-Amsterdam hadden heroverd, is bij de Vrede van Westminster de bestaande situatie gehandhaafd. De Engelsen beloofden bovendien zich niet langer op de Banda-eilanden te laten zien. Willoughbyland en andere Nederlandse bezittingen in en rond Suriname werden bekend als Nederlands Guiana.

In 1674 werden drie schepen naar Suriname gezonden om de ca 300 Engelsen en 1.200 slaven naar Jamaica over te brengen. Onder diegenen die het land wilden verlaten bevonden zich Andrew en Jeronimo Clifford. De Zeeuwen zagen de uittocht met lede ogen aan en probeerden de Engelsen aan zich te binden door prijsafspraken over suiker en met levering van nieuwe armazoenen slaven, want de productie van suiker kwam in gevaar. Geïnspireerd door de Franse politiek onder Colbert werd in 1683 de Sociëteit van Suriname opgericht, verantwoordelijk voor het beheer van plantages en het handhaven van de rust. Rond 1685 kwamen ook Labadisten en Hugenoten naar de kolonie, maar katholieken werden geweerd. Vanuit Suriname werd een ananas opgestuurd, die tot bloei werd gebracht in de Hortus Botanicus Amsterdam. Maria Sibylla Merian tekende fascinerende vlinders en exotische flora na. Op initiatief van Nicolaes Witsen zijn vanuit de Hortus koffieplanten naar Suriname vervoerd.

Nederlands Guiana (groene lijn) rond 1700

[bewerken] Plantagelandbouw en de Bakabusi Nengre

In de eerste helft van de 18e eeuw maakte de landbouw een bloeitijd door in Suriname. De kolonie was belangrijk voor de export van letterhout, katoen, suiker en koffie. Rond 1713 telde Suriname niet veel meer dan 1.000 Europeanen en 12.000 slaven; in 1750 woonden er 1.500 Europeanen en 30.000 slaven. De WIC beheerste tot 1739 de slavenhandel en er zouden door hen jaarlijks 2.000 Afrikaanse slaven worden aangevoerd voor het werk op de plantages. De planters waren slechte betalers en de slavenhandel is door de WIC aan particulieren overgelaten. De behandeling van slaven was vanaf het eerste begin zeer slecht. Tientallen slaven ontsnapten naar het oerwoud en de planters organiseerden tochten om ze terug te halen. De weglopers vestigden zich in kleine gemeenschappen en staan bekend als Bakabusi Nengre (Bosnegers) of als Marrons. Zij kwamen regelmatig terug naar de plantages om hun voorraden aan te vullen en slaven te bevrijden.

De Marrons vormden een bufferzone tussen de Hollanders die zich aan de kust en aan de rivieroevers vestigden en de nog niet onderworpen indiaanse stammen in het binnenland. In 1760 sloten de Hollanders een vredesverdrag met de Ndyuka Marrons, de latere Aukaners, die daarbij als vrije groep werden erkend. In 1762 volgde een vergelijkbaar verdrag met de Saramaccaners, en in 1767 met de Matawai. Bekende guerrillaleiders waren Benti Basiton die een belangrijke rol speelde bij het verdrag van 1760, Boni (1730-1793), die zijn basis had in Fort Buku in de moerasachtige kustgebieden van Commewijne.

[bewerken] Arriverende groepen Europeanen

[bewerken] Suriname ten tijde van Napoleon

Na het uitroepen van de Bataafse Republiek (een Franse vazalstaat in Nederland) in 1795 veroverden de Britten in 1796 Berbice en, omdat er in Suriname een relatief grote groep patriotten woonde die het bevel van de gevluchte Stadhouder Willem V om de Engelsen toe te laten in de havens weigerde te aanvaarden, pas in 1799 Nederlands Guiana. De Hollanders hadden namelijk ook vanuit de Bataafse Republiek de opdracht gekregen om de Fransen als vrienden te beschouwen en de Nederlandse Staten-Generaal moesten gehoorzamen. De Engelsen zorgden voor een verdere ontwikkeling van de naburige koloniën Berbice, Demerara en Essequibo, waardoor de een groot deel van de bevolking daar het Engelse bewind niet als een negatief element beschouwde. Daarnaast kwamen er meer Engelse kolonisten naar het gebied, deels vanuit andere Engelse West-Indische bezittingen, om er plantages op te richten. Rond 1800 waren er in Berbice ongeveer 300 en Demerara en Essequebo ongeveer 400 plantages. Doordat men massaproductie wilde leveren voor de Europese markt, moest men vanwege het gebrek aan mechanische landbouw zorgen voor goedkope arbeid. Omdat een negerslaaf in zijn leven net zo veel kostte als een blanke contractarbeider in 10 jaar, werden massaal slaven ingevoerd uit Afrika. In de drie koloniën verdubbelde het aantal slaven in tien jaar tijd en nam de productie van katoen, koffie en suiker sterk toe. De bezetting van Suriname zorgde echter voor een achteruitgang van de economie.

Bij de Vrede van Amiens in 1802 werden beide Nederlandse koloniën weer teruggegeven aan de Hollanders. De patriotten in de Bataafse Republiek waren niet blij met het feit dat Frederici de kant van de Engelsen had gekozen en hij werd daarop afgezet als gouverneur. Omdat het patriottistische bestuur het de Engelse kolonisten daarop behoorlijk lastig maakte, raakten de Engelse kolonisten en andere bewoners van Berbice, Demerara en Essequebo ontevreden en een groot deel had plannen om weer terug te keren uit deze gebieden. Daarop werden de koloniën in 1803 opnieuw veroverd door de Engelsen. Zij stelden twee Nederlandse gouverneurs aan over de koloniën Berbice, Demarara en Essequebo; Antony Beaujon en Van Imbyze van Batenburg.

Een neger, levend aan zijn ribben opgehangen, door Cristoforo dall'Acqua in Viaggio al Surinam, 1818. Vertaling van Narrative of a five years' expedition against the revolted Negroes of Surinam van John Gabriël Stedman uit 1796. Het boek - vooral door de illustraties aangrijpend - was belangrijk in de vroege fase van het abolitionisme.

In 1804 werd Suriname ook weer veroverd door de Engelsen. Tijdens de eerste en tweede Engelse bezetting werden veel zaken op Engelse manier ingericht. Een voorbeeld was de instelling van Engelse verkeersregels die nu bijvoorbeeld nog terug te zien zijn in het feit dat men in Suriname links rijdt. Belangrijker waren echter de verordening van 1807 dat alle officiële stukken voortaan in twee talen moesten worden opgesteld en dat bij alle officiële functies gold dat ze bij voorkeur aan Engelsen zouden moeten worden gegeven, al werd hier slechts weinig gebruik van gemaakt. In Demerara was vanaf 1808 de steun van de zendelingen van de London Missionary Society met name van belang voor de verengelsing van deze kolonie. Ook stimuleerde de Engelse regering haar Engelse en Schotse onderdanen om te emigreren naar o.a. Suriname. De emigranten kregen plantages en slaven als tegemoetkoming.

Nadat Napoleon, overigens een tegenstander van slavernij, die de aanvoer rietsuiker uit de Caraïben verving door de aanplant van suikerbieten in Europa, was verslagen, en Zweden nog een poging had gedaan het land over te nemen, werd Suriname in 1815 weer teruggegeven aan het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De Engelsen en Schotten bleven daarbij in het bezit van hun plantages en slaven. Berbice, Demerara en Essequebo werden echter niet teruggegeven en vormden vanaf 1815 de kolonie Brits Guiana.

[bewerken] Slaven en vrijen

Suriname stond bekend als een oord waar wreed omgegaan werd met slaven. In ruim 200 jaar werden ongeveer 550.000 slaven vanuit Afrika door Nederlanders naar de koloniën getransporteerd. De Engelsen schaften de slavernij af in 1834, maar de Nederlanders pas als laatsten van Europa in 1863. Kapitein Broos (1821-1881) was belangrijk voor de afschaffing van de slavernij ("vrijverklaring") in 1863 en deze heeft ondertekend. Bij de afschaffing was er een bevolking van rond 35.000 slaven, waarvan slechts 30% in Suriname was geboren. Dit is veroorzaakt door:

  • dat vooral mannen naar Suriname werden gebracht. Door het gebrek aan vrouwen is geen grote zwarte bevolking ontstaan;
  • grote sterfte als gevolg van ziekten;
  • slechte behandeling door slavenhandelaren en opzichters; de Hollanders beheersten de slavenhandel en slaven waren dus erg goedkoop en de hoge sterfte zorgde er weer voor dat er steeds vraag was naar nieuwe slaven.

Zowel slaven als gekleurden werden als minderwaardige 'wezens' beschouwd, die moesten worden behandeld als honden, omdat ze anders te mondig en opstandig zouden worden. Zelfs na de afschaffing waren de zwarten niet vrij: tot 1873 moesten ze verplicht blijven werken, nu tegen betaling, omdat de plantages anders zou instorten. In deze overgangsperiode zijn vooral Chinese contractarbeiders geronseld. Na 1873 werden grote aantallen arbeiders geworven in Brits-Indië, de (Hindoestanen). Mahatma Gandhi maakte in 1916 hieraan een einde. In de periode tot aan de Tweede Wereldoorlog werden vooral op Java arbeiders geworven (Javanen).

[bewerken] Begin 20e eeuw

In de 20e eeuw werden de natuurlijke hulpbronnen van Suriname ontwikkeld, als rubber, goud en vooral bauxiet. Het bedrijf Alcoa uit de VS verwierf een groot gedeelte van Suriname voor de winning van bauxiet voor de productie van aluminium. In 1904 werd tijdens de goudkoorts de Lawaspoorweg aangelegd tussen Paramaribo en het Lawagebied in Oost-Suriname waar goud was gevonden, wat voor veel werk zorgde. Later werd deze spoorlijn ingekort door het ontstaan van het stuwmeer Prof. dr. ir. W.J. van Blommesteinmeer voor Suralco en in de jaren '80 verdween de lijn. De jaren '30 waren een zware tijd voor Suriname. Door de wereldcrisis ontstond er grote werkloosheid en ook Surinaamse gastarbeiders op Curaçao en andere eilanden van de Nederlandse Antillen keerden terug naar Suriname omdat er geen werk meer was, waardoor het probleem nog werd vergroot. En er kwamen geen gelden meer binnen en er kwamen nog meer werklozen bij. In de jaren '30 werden om werk te verschaffen wegen aangelegd naar Domburg en Groningen en werd de Meursweg aangelegd. Door het Leger des Heils werd een gaarkeuken opgezet om de ergste nood te ledigen. Het was echter niet voldoende en er ontstond grote onrust onder de bevolking, die in 1931 leidde tot betogingen en straatrellen, waarbij er werd geplunderd. Nationalist Anton de Kom kwam daarop naar Suriname om er een werknemersorganisatie op te zetten: Hij vestigde er een adviesbureau, maar toen hij een betoging organiseerde tegen gouverneur Kielstra werd hij gevangen gezet. Een betoging om hem vrij te krijgen leidde tot Zwarte Dinsdag, waarbij 2 mensen werden doodgeschoten. De Kom werd daarop op een boot naar Nederland gezet. Premier Colijn verklaarde in 1935 in de Tweede Kamer:

"Alles wat in Suriname is beproefd, het is alles eenvoudig mislukt. De dingen zijn niet gemakkelijk. En daarom wilde ik wel, dat er eenmaal in Nederland iemand opstond die wel wist wat er gedaan zou kunnen worden. Ik doe het mogelijke."

Tegen de start van de Tweede Wereldoorlog was de situatie echter weer wat verbeterd.

[bewerken] Onafhankelijkheid

Zie Surinaamse onafhankelijkheid voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1954 werd het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden van kracht. Daarin werd geregeld dat Suriname, alsmede Nederlands Nieuw-Guinea en de Nederlandse Antillen, een verregaande vorm van zelfbestuur kregen. Alleen defensie, buitenlandse zaken en ontwikkelingshulp waren nog zaken die door Nederland geregeld werden. Surinamers kregen de Nederlandse nationaliteit.

In 1973 kwam een nieuwe regering onder premier Henck Arron aan de macht. Arron bepleitte onafhankelijkheid van Suriname per "ultimo 1975". Op 25 november 1975 was het zover. De Nederlandse vlag werd voor het laatst gestreken en was Suriname een onafhankelijke republiek. Later die dag werd Johan Ferrier, de laatste gouverneur, beëdigd tot president.

[bewerken] Overige onderwerpen

  • 1975-1980, de eerste onafhankelijkheidsperiode
  • Staatsgreep op 25 februari 1980
  • De Revolutie - militair bewind 1980-1987 olv. 'Legerleider' Bouterse.
  • negerjoden
  • Kolonisatie, bestuurssysteem
  • De indianen (vanaf 1975 naamswijziging naar inheemse bevolking)
  • Emancipatie van de slaven
  • Sociale strijd en ontwikkelingen; Anton de Kom.
  • De bevolkingsgroepen van Suriname
  • De Portugese Joden, Jodensavanne
  • Suriname in de Tweede Wereldoorlog; Surinaamse Schutterij
  • Suriname en het Nederlandse Koningshuis
  • Patronage en etnische belangenstrijd
  • Binnenlandse Oorlog
  • Democratiseringsproces
  • Cocaïnebelangen
  • De moord op politie-inspecteur Herman Gooding
  • Armoede als nieuw fenomeen; hosselen, zeven-even, voedselpakketten, non-gouvernementale hulp
  • De 'zaak-Bouterse'
  • Surinamers in Nederland
  • Nederlanders in Suriname
  • Wijdenboschbrug

[bewerken] Literatuur

  • Bakker, Eveline et al.: Geschiedenis van Suriname. Van stam tot staat. Zutphen 1993, De Walburg Pers, ISBN 90-6011-837-5
  • Bruijning, C.F.A. en Voorhoeve, J. (red.): Encyclopedie van Suriname. Amsterdam en Brussel 1977, B.V. Uitgeversmaatschappij Argus Elsevier, ISBN 90-10-01842-3
  • Buddingh', Hans: Geschiedenis van Suriname. Utrecht 2000, Het Spectrum, ISBN 90-274-6762-5
  • Fontaine, Jos: Zeelandia. De geschiedenis van een fort. Zutphen 1972, De Walburg Pers, ISBN 90-6011-441-8
  • Hoefte, Rosemarijn and Meel, Peter (eds.): Twentieth Century Suriname. Continuities and Discontinuities in a New World Society. Leiden 2001, KITLV Press, ISBN 90-6718-181-1
  • Meiden, G.W. van der: Betwist bestuur. Een eeuw strijd om de macht in Suriname 1651-1753, Amsterdam 1987, De Bataafsche Leeuw, ISBN 90-6707-133-1

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Externe links

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • Kom, Anton de, 1934, Wij slaven van Suriname (eerste ongecensureerde uitgave in 1971), RVU i.s.m. Uitgeverij Contact, ISBN 90-254-9605-9
  • Kruijer, G.J., 1951 Suriname en zijn buurlanden, lichtplekken in het oerwoud van Guyana
  • Rudolf van Lier, Samenleving in een grensgebied. Een sociaal-historische studie van Suriname, 1e druk 1949, 3e herziene uitgave S. Emmering 1977, ISBN 90-6033-381-0
  • Netscher, P. M., 1888, Geschiedenis van de Koloniën Essequebo, Demerary en Berbice, van de vestiging der Nederlanders aldaar tot op onzen tijd. Den Haag. (in Sluer, A. Hoe Suriname werd bevolkt)
  • Gert Oostindie, 1989, Roosenburg en Mon Bijou; Twee Surinaamse plantages, 1720-1870, Dordrecht, Providence: Foris, KITLV Caribbean Series 11
  • Versteeg, A. H., & Bubberman, F.C., 1992, Suriname before Columbus. Mededelingen Stichting Surinaams Museum 49A, Paramaribo, Suriname. pp. 3-65; updated internet version 1998
  • Wennekes, Wim (2001) Gouden handel. De eerste Nederlanders overzee, en wat zij daar haalden, p. 384--353. Olympus, ISBN 90-254-9688-1
  • Wolbers, Julien, 1861, Geschiedenis van Suriname, Amsterdam: De Hoogh
Gebieden in handen van de WIC

Gouvernementen: Berbice* · Cayenne · Demerara* · Essequibo* · Goudkust* · Nederlands Brazilië · Nederlandse Antillen · Nieuw-Nederland · Pomeroon · Suriname*

Gebieden met een directeur: Maagdeneilanden

Gebieden met een baron: Tobago (geleend aan Cornelis Lampsins)

Factorijen / handelsposten: Arguin · Loango-Angola kust · Senegambia · Slavenkust

Gebieden in handen van de VOC

Gouvernementen: Ambon* · Banda* · Batavia* · Ceylon · Coromandelkust* · Formosa · Java's Noordoostkust* · Kaapkolonie* · Mauritius · Makkasar* · Malakka* · Molukken*

Directoraten: Vestingen in Bengalen · Vestingen in Perzië · Suratte

Commandementen: Bantam* · Malabar · Sumatra's Westkust*

Residenten: Bandjarmasin* · Cheribon* · Palembang* · Pontianak*

Gebieden met een opperhoofd: Birma · Deshima* · Vestingen in Siam · Timor · Tonquin

Factorijen: Vestingen in China

Gebieden in handen van de Noordsche Compagnie

Nederzettingen: Amsterdam eiland (incl. Smeerenburg) · Jan Mayen

Overige gebieden in handen van de Staat

Vestingen: Acadia · Zoutpannen in Venezuela · Fort Nassau

*: Gebieden ook in handen van de Bataafse Republiek geweest.

Persoonlijke instellingen
Boek maken