Cultuurstelsel
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Het cultuurstelsel was een systeem dat door Johannes van den Bosch in Nederlands-Indië in 1830 werd ingevoerd en was tot circa 1870 opgelegd. Het cultuurstelsel was een vervanging voor het landrentestelsel. Voor winstgevende producten bleef het stelsel langer van kracht; voor koffie gold het tot aan het begin van de twintigste eeuw.[1]
Het cultuurstelsel hield in dat bij wijze van pacht de inheemse bevolking, als de grond daarvoor geschikt was, 20% van hun grond moest gebruiken voor gouvernementsproducten: producten voor de Europese markt. Deze producten waren onder meer indigo, thee en suiker en werden door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Europa verkocht.
Mocht de waarde van de producten meer zijn dan de vroegere landrente dan kregen de boeren plantloon. Boeren die geen geschikte grond hadden, moesten ter vervanging van de landrente 66 dagen per jaar voor het gouvernement werken (herendiensten).
Het systeem werd veelvuldig misbruikt; boeren werden voorgeschreven meer dan 20% af te dragen of om de meest vruchtbare gebieden te gebruiken voor de Nederlandse producten. De inlandse vorsten kregen zogenaamde cultuurprocenten. Als hun gebied meer opbracht voor Nederland, dan kregen de inlandse vorsten meer uitbetaald. Dit leidde tot sterke uitbuiting van de inheemse bevolking door de inlandse vorsten. In de tweede helft van de 19de eeuw nam het verzet toe tegen de corrupte Nederlandse en inheemse ambtenaren.[1] Vanaf 1848 begonnen meer mensen te pleiten voor de afschaffing. Hiervoor worden twee belangrijke oorzaken genoemd: de inheemse bevolking leed eronder en men wilde dat Nederlands-Indië wordt geopend voor particulier bezit. [2]
Multatuli schreef in 1860 zijn roman Max Havelaar waarin gewezen werd op de bedenkelijke morele aspecten van het kolonialisme. Onder andere dit boek speelde een belangrijke rol in het afschaffen van het stelsel.[1]
Sinds de grondwetswijziging in 1848 kregen de Liberalen steeds meer de overhand in de Nederlandse politiek. De liberale politici bekritiseren het Cultuurstelsel waaronder de Javaanse bevolking leed. Nederland wilde echter wel het economische voordeel van Java behouden, en liet daarom meer particulier initiatief toe, wat uiteindelijk leidde tot de afschaffing van het cultuurstelsel. De twee belangrijkste wetten die particulier initiatief in Java bevorderden en het cultuurstelsel beëindigden, waren de Agrarische Wet en de Suikerwet.
In 1870 werd de Agrarische Wet en de Suikerwet ingevoerd. Door deze wetten konden particuliere bedrijven zich in Nederlands-Indië vestigen. Deze bedrijven introduceerden nieuwe producten als tabak en rubber. Grondstoffen uit Indië bewerkte men vervolgens in Nederland. Indië, en met name Java, werd zodoende de kurk waar de Nederlandse economie op dreef. [2]
| Referenties: |
|
