Rooms-katholieke Kerk
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De rooms-katholieke Kerk, ook wel de Katholieke Kerk genoemd (of contextueel de Kerk), is de grootste christelijke Kerk ter wereld. Binnen de Katholieke Kerk zijn er twee tradities: de Latijnse Kerk en de oosterse Kerk.
Inhoud |
[bewerken] Naam
De Kerk zelf gebruikt sinds het Eerste Concilie van Nicea in 325 in haar officiële documenten de term 'Katholieke Kerk', ook in de documenten van de twee meest recente oecumenische concilies[1][2].
'Rooms-katholieke Kerk' is geen door dit kerkgenootschap gehanteerde officiële benaming, reden waarom de Nederlandse Taalunie de schrijfwijze rooms-katholieke Kerk voorschrijft[bron?]. In informele zin (bijvoorbeeld als men een kerkgebouw van de Katholieke Kerk wil aanduiden) schrijft men katholieke kerk of rooms-katholieke kerk, dus alleen met kleine letters.
Het begrip 'rooms-katholiek' is ontstaan aan het begin van de 16e eeuw, ten tijde van de Reformatie, om in de diverse opsplitsingen van het christendom een duidelijke naam te hebben.
Het woord rooms duidt op Rome; de bisschop van Rome, beter bekend als de paus, is het hoofd van de rooms-katholieke Kerk. Het Griekse woord καθολικός [katholikos] betekent 'algemeen' of 'universeel'. Men zou het dus letterlijk kunnen vertalen als de algemene Kerk of de algemene Kerk van Rome.
[bewerken] Inleiding
In 380 werd de trinitair christelijke Kerk de officiële staatsgodsdienst van het nog ongedeelde Romeinse Rijk, en door de keizers aangeduid als 'katholiek'.
In 395 splitste het Romeinse Rijk zich in een westelijk, Latijnssprekend deel en een oostelijk, Griekssprekend deel. Deze delen groeiden uit elkaar en tegelijk groeiden ook de christelijke kerken in oost en west langzaam uit elkaar. Na eeuwenlange irritaties en onenigheid was in 1054 een kleinigheid de druppel die de emmer deed overlopen en kwam het tot een schisma dat, alle toenaderingspogingen ten spijt, tot op de huidige dag voortduurt.
De rooms-katholieke Kerk is tegenwoordig de grootste geloofsrichting binnen het christendom. Zij beroept zich op het Oude en het Nieuwe Testament van de Bijbel, op de traditie en op het leergezag van Rome. Tot aan de Reformatie belichaamde ze behalve religieuze, ook veel politieke macht. Tegenwoordig is de bisschop van Rome, beter bekend als de paus, behalve hoofd van de clerus enkel nog staatshoofd van Vaticaanstad en beperkt zijn wereldlijke macht zich voor het overige tot de mate waarin landsregeringen bereid zijn naar hem te luisteren.
[bewerken] Geschiedenis
[bewerken] 1e tot 5e eeuw
Vanaf de 1e eeuw van onze tijdrekening ontstonden hier en daar in en rond de Middellandse Zee kleine, geïsoleerde christelijke gemeenschappen, eerst in het oostelijk gedeelte, later ook in het westen, en vooral onder de rechtelozen: vrouwen en slaven. Het Romeinse Rijk stond altijd al bekend om zijn religieuze tolerantie. Iedereen stond het vrij zijn eigen godsdiensten en gebruiken in ere te houden, zolang er ook eer aan de Romeinse goden bewezen werd en de goddelijke status van de keizer werd erkend. In de praktijk gold dit gebod voor de meeste inwoners van het rijk als een zuivere formaliteit met weinig betekenis voor hun eigen leven: bij enkele gelegenheden per jaar werd er wat geofferd aan de Romeinse goden en de keizer. De monotheïstische christenen daarentegen wilden aan geen enkele god eer bewijzen dan aan Jezus de Zoon en God de Vader. Ze accepteerden de heidense keizer zodoende wel als staatshoofd, maar absoluut niet als een god. In het begin van de 4e eeuw kneedde de Romeinse keizer Constantijn het tot dan nog steeds sectarische christendom tot een katholieke (niet-ketterse) en literalistische (niet-gnostische) godsdienst. Op het einde van dezelfde eeuw, onder keizer Theodosius I, werd het door Constantijn hervormde christendom zelfs de Romeinse staatsgodsdienst. Vanaf dat ogenblik zijn de politieke en religieuze macht van de Kerk in het westen nauw verweven. Vanaf het begin was de jonge Kerk regelmatig het toneel van felle onderlinge discussies en resulterende scheuringen (in het Grieks: schisma), zoals het arianisme en nestorianisme. De eerste bisschop van Rome (nog een Grieks woord; het betekent letterlijk ‘opzichter/toezichthouder’) was Petrus, de apostel oorspronkelijk genaamd Simon die door Jezus "Petrus (Grieks=rots), waarop hij de Kerk zou bouwen" werd genoemd; stilaan werd de bisschop van Rome in het westen duidelijk de ‘primus inter pares’, die meer en meer gezag won als hoofd van de Kerk. Dat proces vorderde maar heel beperkt, en alleen in het (Latijnse) westen. In het Griekstalige Oosten oriënteerden de gelovigen zich meer op de patriarch van Constantinopel, hoewel de patriarchen van Antiochië en Alexandrië ook veel invloed hadden. De bisschop van Rome was ook de patriarch van Rome en zijn collega-patriarchen beschouwden hem als een gelijke zonder speciale bevoegdheden over henzelf. Getuigenissen van zowel de oostelijke als de westelijke kerkvaders zijn echter duidelijk over het primaatschap van de zetel van Petrus (Rome) aangaande de einduitspraken over geloofstwisten. De bisschoppen kwamen soms samen in een Concilie, nog steeds het hoogste orgaan binnen de christelijke gemeenschap, zoals dat van Nicea in Turkije, rond 325, om theologische problemen op te lossen die dikwijls over politieke geschillen handelden.
[bewerken] Middeleeuwen
Na de val van het West-Romeinse Rijk werd West-Europa opgedeeld onder de binnengevallen Germanen. Hun nieuwe koninkrijken op het oude Romeinse grondgebied waren de beginpunten van de huidige Europese staten. In dit versplinterde West-Europa breidde het gezag van de bisschop van Rome zich gestaag uit, behalve op geestelijk gebied ook op wereldlijk vlak. Dat kon pas nadat West-Europa gekerstend was; vooral Ierse monniken hebben daarin een belangrijke rol gespeeld. Stilaan kwam men ook tot meer eensgezindheid op het vlak van de theologie, die gebaseerd was op de Platonische inzichten van Augustinus, hoewel dat niet zonder slag of stoot ging; geregeld waren er belangrijke scheuringen (die van Pelagius, de Albigenzen (Katharen) b.v.), en er was onophoudelijk frictie tussen het Oosten en het Westen. Verder werd de opmars van de islam (voorlopig) gestopt.
De splitsing in een oosterse en westerse Kerk in het jaar 1054, het Grote Schisma, was in feite een formele bevestiging van een reeds lang bestaande situatie. Theologische disputen camoufleerden de politieke realiteit; deze keer was er verschil over de leer van de Heilige Geest; de westerse Kerk leert dat de Heilige Geest uitgaat van God de Vader en van God de Zoon. De oosterse Kerk leert dat de Heilige Geest alleen uitgaat van God de Vader.
Een belangrijke rol was weggelegd voor de kloosterorden; over geheel West-Europa werden in twee golven abdijen en kloosters opgericht. Deze bezaten nagenoeg een monopolie op cultuur, scholing, gezondheidszorg en wetenschappen, hoewel er ook enorm veel kennis verloren ging, die pas vanaf de 12e eeuw door de kruistochten (via de Arabische cultuur en het Byzantijnse/Oost-Romeinse Rijk) geleidelijk terugkwam, wat dan het Thomisme mogelijk maakte, nog steeds één van de fundamenten onder de katholieke theologie.
Het bestrijden van ketterijen en schisma's was vanaf het begin van de Kerk een steeds terugkerend thema. Deze strijd werd, uitgaande van het middeleeuwse wereldbeeld, vanaf de 13e eeuw geleverd door de Inquisitie, die als kerkelijke rechtbank in wisselwerking stond met de wereldlijke rechtbanken. In deze periode van de kerkgeschiedenis zorgde de angst voor dwalingen en vreemde invloeden soms voor uitbarstingen van religieuze intolerantie, nogal eens tegen de Joden, andere keren tegen stromingen als de Katharen. Dikwijls ontstonden dergelijke oekazes door een ingewikkelde wisselwerking tussen wereldlijke politiek en religieuze gevoelens. De Islamitische verovering van het Heilige Land en de daaruit voortvloeiende onbereikbaarheid van de christelijke heiligdommen had de kruistochten tot gevolg, die verschillende keren ontaardden in bloedige veldslagen en plunderingen. Deze periode wordt voor wat betreft deze elementen door de huidige katholieke gelovigen als een donkere tijd beschouwd.
De dienst van het Petrusambt, de Heilige Stoel, was ondertussen steeds belangrijker geworden ten opzichte van het gezag van de plaatselijke bisschoppen. Daarbij had de Kerk ondertussen de Investituurstrijd gewonnen. Dit conflict had als inzet wie de kerkelijke benoemingen mocht doen: de politiek of de Kerk.
[bewerken] De Nieuwe Tijd
Tijdens de Renaissance was Europa weer welvarend geworden en door de toenemende handel en voortschrijdende techniek werden de Europeanen steeds rijker. De Kerk profiteerde hier ook van en begon steeds meer een praalziek instituut te worden. De hoge clerus hield zich tenslotte hoofdzakelijk bezig met de wereldlijke macht en de geestelijke taken schoten er grotendeels bij in. Vooral de 'Renaissance pausen' van de 15e-16e eeuw waren hoewel cultureel een hoogtepunt (bouw van de huidige Sint Pieterskerk en grote opdrachten voor o.a. Michelangelo, Bernini, Leonardo da Vinci en andere grote kunstenaars) geestelijk en moreel een dieptepunt waarbij verschillende bisschoppen en pausen, zoals die afkomstig van de beruchte familie Borgia, elkaar zelfs naar het leven stonden om de hoogste kerkelijke ambten te bemachtigen.
Corruptie, decadentie, nepotisme en simonie binnen de Kerk zorgden in heel Europa voor een ware opstand, de Reformatie, tegen Rome. Voorlopers in de late Middeleeuwen waren al: Jan Hus (Bohemen), Savonarola (Florence) en John Wyclif, Engeland. Toen kon de kerk deze 'dissidenten' nog de mond snoeren. Later echter gaven Luther (Heilige Roomse Rijk), Johannes Calvijn (Frankrijk/Zwitserland) John Knox (Schotland), Huldrych Zwingli (Zwitserland) en Menno Simons (Nederland) aanleiding tot permanente afscheidingen. Aanvankelijk wilden de meeste van deze protestanten (zoals ze al snel werden genoemd) de katholieke Kerk niet verlaten maar hervormen door een terugkeer naar de christelijke beginselen zoals deze volgens hen in de evangeliën zijn beschreven en de afschaffing van kerkelijke gebruiken die volgens hen in strijd met het evangelie waren. Zo maakte in 1517 Luther de 95 stellingen tegen de aflaat bekend. Het steeds radicalere optreden van Luther, zijn pacteren met Duitse wereldlijke vorsten die politiek onafhankelijker van de keizer van het Heilige Roomse Rijk wilden worden en de afwijzende reactie van de Kerk inzake de oproep door de protestanten tot een concilie dat tot deze interne hervormingen zou moeten leiden, heeft tenslotte geleid tot afscheiding van de protestanten. Ook het Engelse katholicisme scheidde zich af, onder Hendrik VIII, niet omdat Hendrik problemen had met de kerkelijke leer maar omdat hij wilde scheiden van zijn vrouw en de paus daarvoor geen toestemming gaf, en vormde de Anglicaanse Kerk. Zoals vaker in de geschiedenis kwamen deze schisma's als gevolg van zowel religieuze als politieke redenen tot stand.
De Kerk reageerde met het Concilie van Trente, de komst van vernieuwingsbewegingen zoals de jezuïetenorde en de verspreiding van de barok. Terwijl grote landstreken in Europa verloren gingen voor Rome tijdens eeuwenlange godsdienstoorlogen die leidden tot een wijdverbreide papenhaat (papa = Latijn voor paus; een katholiek is dus een paap), breidde ze evenwel haar gebied uit tijdens de periode van de Europese kolonisatie.
Het belangrijkste kenmerk van de periode na de Middeleeuwen is dat de mens steeds meer zichzelf als het centrum van de dingen beschouwde, vandaar het humanisme, de zelfverzekerde Renaissance, en de opkomst van de (exacte) wetenschappen bij de wetenschappelijke revolutie. Dit mondde uit in de Verlichting. Met de opkomst van het liberalisme in de 18e eeuw werd ook het principe van de scheiding tussen kerk en staat geformuleerd. Dit principe (en andere) bereikt een doorbraak naar de politieke macht met de Franse Revolutie. Verschillende kerkelijke monopolies, zoals onderwijs en gezondheidszorg werden doorbroken, en aanvankelijk wist Rome ook niet om te gaan met nog nieuwere ontwikkelingen zoals darwinisme en socialisme. In deze periode werd het principe van de onfeilbaarheid van de paus vastgelegd. Uiteindelijk zorgde de Kerk met de encycliek Rerum Novarum (1891) voor een sociale leer om de socialisten de wind uit de zeilen te nemen.
[bewerken] Vandaag
Het onafhankelijke Italië bleef knabbelen aan het grondgebied van de Pauselijke Staten, en in 1929 werd het Verdrag van Lateranen gesloten tussen de paus en Benito Mussolini: het Vaticaan als onafhankelijke ministaat, dat geen wereldlijke machtsfactor meer is, werd geboren.
In de jaren zestig zorgde het Tweede Vaticaans Concilie voor een vernieuwende interpretatie van de katholieke leer en bracht zo het geloof bij de tijd (aggiornamento). Hierover was en is nog steeds veel discussie; volgens de conservatieven ging dit al te ver en volgens de progressieven ging dit nog lang niet ver genoeg. Ondanks of juist door deze hervormingen blijft de invloed van de katholieke Kerk in West-Europa dalen. De standpunten van de Kerk, vooral betreffende seksualiteit en moraal worden in het geseculariseerde West-Europa door sommigen beschouwd als controversieel en niet meer passend in de praktijk van de moderne wereld. Anderen beschouwen haar standpunten juist als visionair. Terwijl de Kerk antwoorden tracht te formuleren op de sterk geïndividualiseerde samenleving in het Westen blijft het aantal gelovigen wereldwijd en dan vooral in de ontwikkelingslanden sterk groeien. Hier is het geestelijke, morele en vaak ook politieke gezag van de Kerk aanzienlijk. Verschillende vernieuwingsbewegingen ontstonden binnen de Kerk, die vaak de rol van de leek benadrukken, zoals Opus Dei en de charismatische beweging, die ook banden met het protestantisme onderhoudt.
Stilaan wordt ook toenadering gezocht tot andere richtingen binnen het christendom, en andere religies zoals het jodendom. Dat is de zogenaamde oecumenische gedachte. Een voorbeeld hiervan zijn Messiaanse Joden, joden die geloven in Jezus en zijn verrijzenis[bron?].
De katholieke Kerk is binnen het christendom verreweg de grootste geloofsrichting: volgens het Annuario Pontificio (Vaticaans jaarboek) leefden er in 2003 in de hele wereld 1,086 miljard gedoopten, verspreid over 2800 bisdommen (waarvan 617 aartsbisdommen) en ongeveer 220.000 parochies. Ongeveer de helft van hen leeft in de Derde wereld. De Kerk telt 405.000 priesters (1 priester per 2680 gedoopten), 573 aartsbisschoppen, 1935 bisschoppen en 835.000 religieuzen (1600 religieuze orden).
Binnen de Kerk heeft het Modernisme en Antimodernistische integralisme uit de 19e en begin van de 20e eeuw sporen achtergelaten, die deels tot in de huidige tijd doorlopen. De scheidslijn wordt getrokken door de houding tegenover de mate van invloed die bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen op de boodschap en organisatie van de Kerk zouden moeten hebben.
Na de afsluiting van het Tweede Vaticaans Concilie verzelfstandigden zich uiteenlopende groeperingen in de afwijzing van de vernieuwingen, die vanuit de 20e eeuwse liturgische beweging het concilie tot een nieuwe misorde inspireerden. Zij wijzen de liturgievernieuwingen af en hebben sympathie voor het voorconciliaire integralisme.
[bewerken] Evangelisatie
Missionarissen uit vele verschillende landen worden naar missiegebieden gestuurd om daar hun geloof te verkondigen en de lokale bevolking tot het katholieke geloof te bekeren. In het verleden gebeurde de bekering van de oorspronkelijk heidense (zonnecultus) bevolking in Spaans en Portugees Amerika grotendeels onder dwang van de politieke macht van Spanje en Portugal, hoewel inheemse christelijke missionarissen ook succesvol waren in de meer vrije bekering. In later eeuwen in Afrika en Azië vertrouwden missionarissen meer op hun verbale overtuigingskracht. In veel landen, ook in Europa en Amerika, stonden zij bovendien aan de wieg van charitatieve instellingen en gezondheidszorg. Eveneens in Europa was de Kerk meestal de grondlegger van de gezondheidszorg en het onderwijs. Veel ziekenhuizen en scholen werden tot voor kort of worden nog steeds door kloosterorden en congregaties geleid.
[bewerken] Structuur en organisatie
De rooms-katholieke Kerk is de oudste nog steeds functionerende organisatie ter wereld. Hierin is ze werkelijk uniek. Het is de enige organisatie ter wereld die aantoonbaar ononderbroken heeft gefunctioneerd sinds de 1e eeuw en het enige instituut van het Romeinse rijk dat heeft weten te overleven tot in de moderne tijd. Ook het archief, het Archivio Segreto Vaticano, en de bibliotheek van het Vaticaan, de Biblioteca Apostolica Vaticana, zijn voor zover bekend de oudste ter wereld. Er zijn echter (onbevestigde) berichten dat sommige boeddhistische kloosters nog oudere archieven en bibliotheken bezitten.
De organisatie van de Kerk is het resultaat van een eeuwenlange evolutie; hier volgt een beschrijving hoe de Kerk vandaag georganiseerd is. De Kerk kent een strakke organisatiestructuur, met zowel verticale als horizontale assen, een Kerk georganiseerd in kruisvorm.
- Verticaal: van paus tot gelovige leek; en
- Horizontaal: op verschillende niveaus bestaat een aantal al dan niet formele instellingen naast elkaar.
De Kerk kent haar eigen rechtbanken: de Apostolische Penitentiarie, de Hoogste Rechtbank van de Apostolische Signatuur en de Sacra Rota Romana, die zich baseren op het canoniek recht. De Kerk is geen democratie maar een pontificaat en er bestaat geen scheiding tussen de wetgevende, uitvoerende en controlerende macht. De uiteindelijke macht ligt bij de paus, die zich laat bijstaan door de Curie.
Er moet onderscheid gemaakt worden tussen de paus als politiek staatshoofd van het Vaticaan, wat niet veel om het lijf heeft, en als religieus leider waarbij de paus wereldwijd zeer invloedrijk is.
[bewerken] Van paus tot gelovige (Verticale structuur)
De paus regeert eigenmachtig (hoewel zijn macht informeel beperkt wordt) door middel van decreten en richtlijnen. De grote lijnen en principes worden verwoord in encyclieken, apostolische exhortaties en vele andere documenten. Deze worden in het Latijn gepubliceerd en benoemd met de eerste woorden ervan. Zo behandelt de encycliek "Rerum Novarum" ('over nieuwe zaken') de sociale leer van de Kerk en de encycliek "Humanae Vitae" ('over het menselijk leven') de houding van de Kerk ten aanzien van geboorteregeling.
Formeel wordt zo'n brief naar alle bisschoppen gestuurd, die gewoonlijk (maar niet altijd) een geografisch gebied onder zich hebben. Zij moeten de inhoud verder spreiden onder de priesters, die hun gelovigen moeten inlichten, en verklaringen verschaffen, indien nodig. Een encycliek geldt voor alle gelovigen, in de hele wereld.
Een "herderlijke brief" daarentegen is vrijblijvender en dikwijls gericht tot een beperkt gebied, of een gedeelte van de gelovigen, bijvoorbeeld alleen voor priesters, of alleen voor katholieke Amerikanen.
[bewerken] Geografische structuur (Horizontale structuur)
Een plaatselijke gemeenschap, een zogenaamde parochie, wordt geleid door een pastoor. Enkele parochies vormen samen een dekenaat (ook: decanaat) dat onder leiding staat van een deken. In de praktijk is een dekenaat eerder een samenwerkingsverband van parochies dan een bestuurlijke eenheid want de pastoor is de eindverantwoordelijke voor zijn parochie. Een aantal decanaten vormt samen een bisdom (ook: diocees) dat door een bisschop bestuurd wordt; hij wordt daarin geassisteerd door een bestuursorgaan, de bisschoppelijke curie. Meerdere bisdommen samen vormen een kerkprovincie onder leiding van een metropoliet. De grenzen van kerkprovincies in kleine staten, zoals Nederland en België, vallen meestal samen met de landsgrenzen. Voor kerkprovincies in grotere staten met veel katholieken gaat dit meestal niet op.
Hiernaast zijn er kardinalen, deze worden door de paus benoemd (officieel: "gecreëerd,") en kiezen de opvolger van de paus bij zijn overlijden. Pauselijk aftreden is in de geschiedenis maar enkele keren voorgekomen. De paus wordt in zijn bestuurlijke taken bijgestaan door een bestuurslichaam, de zogenaamde Romeinse Curie.
[bewerken] Positie van de Heilige Stoel
In Vaticaanstad, het gedeelte van Rome waar Petrus begraven ligt en de paus zijn zetel heeft, staat de internationaalrechtelijk genoemde Heilige Stoel,die als zodanig soeverein en derhalve onafhankelijkheid geniet; veel landen hebben daarom naast een ambassade in Italië een ambassade bij de Heilige Stoel. De Heilige Stoel heeft op zijn beurt een nuntius als ambassadeur in vele landen. Dit houdt ook in dat de organisatie van de Kerk en de betrekkingen met staten meestal los van elkaar zijn.
[bewerken] Oosters-katholieke Kerken
Binnen de katholieke Kerk zijn er verschillende Kerken met een andere ritus (een Oosterse ritus), die in gemeenschap (communio) met de rooms-katholieke Kerk leven en het primaatschap van de paus erkennen (zie Oosters-katholieke Kerken). Deze geünieerde Kerken zijn:
[bewerken] Leer van de Kerk
De katholieke leer gaat ten diepste terug op de persoon en het optreden van Jezus. Door zonde van Adam in het paradijs is de dood en begeerte over de mensheid gaan heersen, zij is de zonde van de gehele mensheid geworden. Deze erfzonde heeft echter de vrijheid en de wil van de mens niet geheel vernietigd, zijn verlangen naar God bleef bewaard. In Jezus heeft God zich definitief uitgesproken, hij is zelf mens geworden en is de geschiedenis binnengetreden, terwijl hij de goddelijke natuur volledig in zich bleef dragen, om door zijn lijden, dood en verrijzenis de zonde op zich te nemen en een nieuwe schepping tot stand te brengen: hij was zoals de heilige Paulus schreef in de Romeinenbrief de "nieuwe Adam". Dit verlossingswerk is allereerst een genadegave van de heilige Geest die zonder enige menselijke verdienste tot stand is gekomen, ze is een geschenk van God die de mens rechtvaardigt en heiligt (habituele genade). Deze bovennatuurlijke genade, die buiten onze ervaring valt en daarom alleen in het geloof kan worden gekend, wordt vrijelijk aangeboden aan alle mensen en allen zijn daarom geroepen zijn aanbod in vrijheid en liefde te beantwoorden en zodoende opnieuw deel te hebben aan de goddelijke drie-ene natuur (tegenover de willoze genade en predestinatieleer van de reformatie heeft de katholieke kerk altijd de vrijheid van de mens verdedigd). Dit betekent dat de genade niet 'onwederstandelijk' is, maar door de mens afgewezen kan worden (een bewuste en vrijwillige afwijzing is een zonde tegen de heilige Geest en leidt tot de eeuwige dood). De mens is daarom geroepen zijn wil in overeemstemming te brengen met Gods wil (meewerkende genade), zijn geloof met woorden en goede werken belijden en met Gods bijstand (actuele genade) zalig te worden.
[bewerken] Schrift en Traditie
De voornaamste bron van het katholieke geloof is de heilige Schrift die onder ingeving van de heilige Geest geschreven. Hoewel God dus de eigenlijke schrijver van de Bijbel is, heeft Hij zich echter willen uitspreken in een menselijke taal, daarbij gebruikmakend van menselijke auteurs, zodat de exegese rekening dient te houden met de context waarin de teksten tot stand zijn gekomen en het literaire genre waarvan de auteurs zich hebben bediend (Sitz im Leben). Bij lezing van de Schrift moet verder rekening worden gehouden met de 'inhoud en eenheid van de hele Schrift', 'de levende overlevering van de Kerk' en de 'analogie van het geloof', d.w.z, de onderlinge samenhang van de verschillende geloofswaarheden. In tegenstelling tot de protestantse Bijbel, bevat de katholieke Bijbel ook enkele deuterocanonieke boeken (in de protestantse traditie de apocriefen) die niet behoren tot de Hebreeuwse canon, maar deel uitmaken van de Septuagint, de naam voor de Griekse vertaling van de Tenach die in het Hellenistische jodendom tot de Oudtestamentische geschriften werd gerekend.
Naast het gezag van de Bijbel kent de katholieke Kerk ook goddelijk autoriteit toe aan de traditie of de overlevering, omdat zij van mening is dat de Bijbel ontstond in een reeds bestaande kerkelijke traditie waarbinnen hij volgens het leergezag gelezen en uitgelegd dient te worden. Onder de traditie wordt verder verstaan alles wat in de kerkgeschiedenis als openbaring van de geloofsleer naar voren is gekomen en in veel gevallen dogmatisch is vastgelegd.
[bewerken] Kerkbeeld
Het katholicisme is niet te begrijpen zonder haar ecclesiologie. De katholieke kerk is voor de katholieken niet zomaar een samenkomst van individuele gelovigen, maar in eerste instantie een ontisch gegeven, een bovennatuurlijke entiteit, daar zij het mystieke lichaam van Christus en de realisering van het Rijk God op aarde is en die daarom de volheid van het geloof bezit en als zodanig een eenheid vormt. De katholiek is daarom geroepen de geloofsschat (depositum fide) de fide te aanvaarden. Afwijzing van een bepaald onfeilbaar leerstuk betekent automatisch afwijzing van de volledige waarheid en de heelheid van de kerk. Zonder deze eis tot loyaliteit zou de katholieke kerk ophouden 'katholiek' te zijn.
De katholieke kerk is een apostolische kerk; zij vindt haar fundament in de ononderbroken apostolische successie. De paus, de bisschop van Rome, wordt gezien als de rechtmatige opvolger van de apostel Petrus aan wie Christus de sleutelmacht der hemelen heeft toevertrouwd en op wie hij zijn Kerk wilde grondvesten en wordt zodoende als de plaatsbekleder van Christus op aarde bescouwd. Op grond van dit primaatschap zijn alle gelovigen gehouden om het gezag van de paus te erkennen en terug te keren naar de moederkerk (De rooms-katholieke Kerk wordt ook de Kerk van Rome genoemd). Het Petrinische gezag wordt gewaardborgd door het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid dat tijdens het Eerste Vaticaans Concilie van 1870 werd uitgeroepen, hoewel zij voordien wel als geloofswaarheid werd aanvaard. Dit betekent niet dat alle uitspraken van de paus zonder dwaling zouden zijn, maar alleen die welke ex cathedra worden uitgesproken en betrekking hebben op zaken van zeden en geloof. Dit is sinds het uitroepen van het dogma slechts één maal voorgekomen, namelijk in 1950 wanneer Paus Pius XII de tenhemelopneming van Maria tot dogma verheft. Alleen de paus kan iets als dogma uitroepen, en hij zal dat in de praktijk alleen doen bij geloofszaken die al eeuwen, vanuit de traditie, door het grootste gedeelte van de Kerk zo worden aanvaard.
Omdat de katholieken de katholieke kerk als dé Kerk van Christus zien, die een ononderbroken apostolische opvolging kent, een eenheid vormt rond de opvolger van Petrus en de volheid van de sacramenten heeft bewaard,is zij naar haar wezen zowel inclusivistisch als exclusivistisch: enerzijds wil zij alle gelovigen verenigen in één lichaam, onder één herder en kent in dat opzicht een maximale openheid, anderzijds kan zij daarom andere kerken of christelijke gemeenschappen niet als Kerk in de volste zin van het woord beschouwen. Dit wordt uitgedrukt in de leerstelling 'Buiten de katholieke kerk geen heil', die vanzelfsprekend bij andere kerken veel ergernis en onbegrip heeft gewekt. Deze uitspraak wil echter slechts een oordeel uitspreken over de andere kerken als Kerk en niet over heil van de leden van die kerkgenootschappen. Zij die buiten hun schuld of te goeder trouw niet in (volledige) eenheid leven met de kerk van Rome, zijn dus niet uitgesloten van het heil. Bovendien kunnen de andere kerkgenootschappen niet zondermeer als antithese tegenover de katholieke kerk worden geplaatst omdat zij verbonden blijven met de katholieke kerk door het doopsel en het geloof in Christus. In een verklaring van de Congregatie voor de Geloofsleer (het helig Officie) Dominus Iesus uit 2000 wordt dit als volgt geformuleerd:
De kerkelijke Gemeenschappen daarentegen, die het geldige bisschopsambt en de oorspronkelijke en volledige werkelijkheid van het eucharistische mysterie niet bewaard hebben 7 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 22, zijn geen Kerken in de eigenlijke betekenis; degenen die in deze Gemeenschappen zijn gedoopt, zijn echter door het doopsel bij Christus ingelijfd en staan dus in een zekere, zij het niet volkomen, gemeenschap met de Kerk.
De othodoxe kerk wordt daarentegen beschouwd als een 'deelkerk' daar deze de zeven sacramenten en apostoliciteit heeft bewaard (hoewel zij het primaat van de paus niet erkent), zodat er sprake is van een bijna volledige eenheid en katholieken in sommige gevallen in een orthodoxe kerk ter communie kunnen gaan. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft verder uitgesproken dat ook mensen die een niet-Christelijke godsdienst aanhangen, maar naar de natuurlijke ordening proberen te leven, het eeuwig leven deelachtig kunnen worden.
[bewerken] Moraal en natuurwet
De katholieke kerk fundeert haar moraalleer niet alleen op de openbaring, maar tevens op de natuurwet (lex naturae). Volgens de katholieke leer is het zuivere verstand door God in de mens gelegd en hoewel dit verstand verduisterd is door de erfzonde, is zij niet geheel vernietigd. Dit verstand is dus in staat de door God gegeven orde te kennen en onderscheid te maken tussen een rechtschapen en zondig leven. De kern van deze wet is het verlangen naar God. Zij vormt als zodanig de basis voor de geopenbaarde wet en de genade en vindt haar uitdrukking in de tien geboden. De reformatie heeft de lex naturae altijd afgewezen; de mens is alleen in staat het verschil tussen goed en kwaad af te lezen uit de openbaring in Christus.
De katholieke moraalleer is zeer omstreden, omdat de moderne mens die achterhaald vindt, hoewel velen het noodzakelijk vinden dat de Kerk die leer aanhoudt om als schietschijf te dienen: afwijkende standpunten komen zo beter tot hun recht. Met name de kerkelijke standpunten inzake anti-conceptie, abortus, homosexualiteit, stamcelonderzoek en euthanasie stuiten op onbegrip, schouderophalen of verbijstering en woede. Het laatste bijvoorbeeld bij gezondheidswerkers in Afrika bij de bestrijding van aids.
[bewerken] Eschatologie: hemel, hel en vagevuur
De katholieke kerk leert dat zij die in staat van genade sterven verenigd zullen worden met Christus (hemel). Zij echter die in een toestand van doodzonde (een zware zonde in volledige vrijheid en met volledige kennis begaan) blijven tot in eeuwigheid gescheiden van de goddelijke liefde (hel). Daarnaast erkent de katholieke kerk het bestaan van het vagevuur, een periode na de dood waarin de begenadigde zijn tijdelijke straffen (de wanorde die reeds vergeven zonden in de mens hebben aangericht) uitboet en door Christus omgevormd wordt alvorens het eeuwig leven binnen te gaan. Het verblijf in het vagevuur kan verkort of opgeheven worden d.m.v. aflaten die voortvloeien uit de overvloedige verdiensten van de kerk. Tenslotte gelooft de katholieke kerk in de wederkomst van Christus waarin hij de wereld definitief zal oordelen en zijn schepping zal voltooien.
[bewerken] Geschriften
In het katholicisme zijn naast de Bijbel andere teksten van wezenlijk belang: het Missaal dat de Schriftlezingen, gebeden en vaste gezangen van de mis bevat, het Getijdenboek of brevier (boek met lezingen, gebeden, psalmen, lofzangen en antifonen dat priesters verplicht zijn dagelijks minimaal 4 maal te bidden), de directoria, pauselijke encyclieken ((Litterae encyclicae)en exhortaties (Exhortatio Apostolica), de catechismus, de Codex Iuris Canonici (het canoniek wetboek), de constituties, decreten en verklaringen van de Concilies en de teksten van de kerkvaders en heiligen.
[bewerken] Goddelijke eredienst en sacramenten
De Katholieke Kerk beschouwt Christus als het oersacrament, de enige middelaar tussen God en de mensen, die door zijn Lichaam, de Kerk (het grondsacrament) reddend en helend aanwezig wil zijn in de menselijke geschiedenis. De sacramentaliteit vindt zijn actualisering in de zeven kerkelijke sacramenten, die gedefinieerd worden als heilige tekenen die bewerken wat zij aanduiden (zo duidt de doop niet alleen de verlossing van de erfzonde en de opname in het Lichaam van Christus aan, maar brengt zij deze ook werkelijk tot stand). De sacramenten gaan terug op het woord en leven van Jezus Christus zelf: het doopsel, de eucharistie, met als belangrijk onderdeel de heilige Communie, het vormsel, het sacrament van boete en verzoening (de biecht), het heilig oliesel ofwel de ziekenzalving, de wijding tot diaken, priester of bisschop en het huwelijk. Doopsel, eucharistie en vormsel vormen samen de sacramenten van de christelijke initiatie. De eucharistie, het sacrament van het altaar, wordt beschouwd als het centrum en hoogtepunt van het kerkelijk geloofsleven omdat men de verrezen Heer hierin werkelijk en lijfelijk aanwezig weet (presentia realis) en men door het ontvangen van het sacrament wordt opgenomen in de dood en verrijzenis van Christus. Dit geloofsmysterie heeft de men later inzichtelijk willen maken met de transsubstantiatieleer, waarbij men heeft teruggegrepen op de metafysica van Aristoteles en Thomas van Aquino. Volgens deze leer veranderen het brood en de wijn na de priesterlijke consecratie op substantieel niveau (wezensniveau) van betekenis, hoewel de 'attributen', de (uiterlijke) gedaanten ongewijzigd blijven. De katholieke sacramentsopvatting is later fel bestreden door de reformatoren die meenden dat het misoffer op het altaar een verloochening was van de ene, onherhaalbare offerande aan het kruis en van mening waren dat de sacramenten slechts een symbolische waarde hadden en dat de mis daarom beschouwd moet worden als een 'vervloekte afgoderij' (Dit uit zich bijvoorbeeld in de wijze waarop men met het brood en de wijn omgaat: waar in de katholieke kerk de hostie ('het Allerheiligste') na de viering zorgvuldig wordt bewaard in een tabernakel en in een monstrans aanbeden kan worden, verliest het brood in de protestantse dienst na de maaltijd des Heren haar sacramentele betekenis en kan daarom voor andere profane doeleinden worden gebruikt). Naast de zeven genoemde sacramenten kent de Kerk ook vele sacramentalia: zegeningen en handelingen om het leven te heiligen, in navolging van de sacramenten.
Daarnaast behoren ook de getijden, de kerkelijke uitvaart, de verering van heiligen, heiligenbeelden en relieken en de gelofte en de eed tot de Goddelijke eredienst (cultus divinus).
[bewerken] Liturgie
De liturgie van de H. Mis gebruikt voornamelijk de Romeinse ritus. Deze kent sinds het Tweede Vaticaans Concilie twee vormen: de Novus Ordo Missae (de gewone vorm) en de Tridentijnse ritus (de buitengewone vorm). De gewone vorm kent de volgende opbouw: intredezang Introïtus - begroeting van het altaar en de gemeenschap (Salutatio altaris et populi congregatio) - schuldbelijdenis (Actus paenitentialis) - gebed om ontferming (Kyrie) (deze wordt weggelaten als er een Gloria wordt gezongen - lofzang (Gloria) - openingsgebed - eerste lezing uit het Oude Testament (Lectio prima) - tussenzang of Psalm Graduale - tweede lezing uit de Handelingen of de Brieven van de apostelen (Lectio secunda) - Alleluia (Acclamatio ante lectionem Evangelii) - Evangelielezing (Evangelium) - homilie (Homilia) of overweging - geloofsbelijdenis, credo (Professio fidei) - voorbeden (Oratio universalis) - bereiding van de gaven (Praeparatio donorum) - gebed over de gaven - prefatie (Oratio super oblata), - Sanctus - eucharistisch gebed (Prex eucharistica) - Onzevader (Pater Noster) - gebed om vrede (Ritus Pacis) - broodbreking (Fractio Panis) met Agnus Dei - communie (Communio) - soms communielied - wegzending en zegen (Ite missa est}.
Naast de viering van de heilige Eucharistie bestaat er als belangrijke liturgische act ook het Breviergebed (de lauden, middaggebed, Vespers en completen).
[bewerken] Liturgisch jaar
In de liturgie van de Mis, volgt men een indeling van het liturgisch jaar, dat niet in de pas loopt met het 'burgerlijk jaar'. Het liturgisch jaar vangt aan met de eerste zondag van de Advent en wordt ingedeeld in kringen rond de grote feestdagen zoals Kerstmis en Pasen. Naar gelang van de dag van het jaar, gebruikt men verschillende liturgische kleuren voor de liturgische gewaden: wit, rood, groen, paars, zwart of roze.
[bewerken] Kloosterleven, ordes, congregaties, prelaturen en bewegingen
De katholieke kerk kent een grote verscheidenheid aan ordes, congregaties, prelaturen en bewegingen. Veelal zijn deze gesticht door een bekende heilige. bekende ordes en congregaties zijn: de Jezuïeten, Dominicanen, Benedictijnen, Trappisten, Franciscanen, Karmelieten, Augustijnen, Norbertijnen, Kartuizers en Sacramentijnen. Meestal vallen deze ordes niet onder het gezag van de plaatselijke bisschop maar zijn via een generaal-overste verbonden met Rome. Daarnaast kent de kerk een personele prelatuur, een niet territoriaal gebonden kerkrechtelijke organisatiestructuur waarin leken geïncorporeerd en seculiere priesters geïncardineerd kunnen zijn, met een prelaat aan het hoofd die direct onder het gezag van de paus valt. Op dit moment is Opus Dei de enige personele prelatuur. De moderne tijd kenmerkt zich door opkomst van de nieuwe (leken]bewegingen zoals Focolare, Foyer de Charité, de Katholieke Charismatische Vernieuwing en San' Egidio.
Sommige ordes en congregaties leven in kloosters om zich toe te leggen op gebed, vaak in cominatie met handwerk (ora et labora). Een klooster wordt geleid door een abt of een abdis. Onder hem staat de prior. Er zijn aparte kloosters voor mannen en vrouwen.
[bewerken] Zie ook
- Portaal christendom
- Hiërarchie van de rooms-katholieke Kerk
- Lijst van rooms-katholieke bisdommen
- Oud Katholieke Kerk
[bewerken] Externe links
- Website van het Vaticaan
- Website van de katholieke Kerk in Nederland
- Website van de katholieke Kerk in België
| Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Category:Roman Catholic Church op de Engelstalige versie van Wikisource |
| Christendom (portaal) | |
|---|---|
|
Drie-eenheid: Vader ∙ Zoon ∙ Heilige Geest |
| Meer mediabestanden bij dit onderwerp vindt u in de categorie Roman Catholic Church van Wikimedia Commons. |
| Referenties: |
|
