Vroegmoderne Tijd
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Portaal Vroegmoderne Tijd |
| Periodes uit de westerse geschiedenis |
De Vroegmoderne Tijd - soms ook Nieuwe Tijd genoemd - is de periode in de geschiedenis van Europa die volgt op de Middeleeuwen. Afhankelijk van de wijze van periodisering duurt de Nieuwe Tijd tot vandaag de dag, of wordt ze opgevolgd door de Moderne Tijd, die soms Nieuwste Tijd genoemd wordt.
Volgens de traditionele indeling wordt de Europese geschiedenis in drie perioden onderverdeeld: Oudheid, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. In dat geval zijn de Vroegmoderne en de Moderne Tijd slechts onderdelen van de Nieuwe Tijd.
Inhoud |
[bewerken] Periodisering
Er is onder historici geen overeenstemming over begin en einde van de Vroegmoderne Tijd. De Renaissance, de vijftiende en zestiende eeuw, kan beschouwd worden als een overgangsperiode van Middeleeuwen naar Nieuwe Tijd. De meeste historici laten de Vroegmoderne Tijd kort voor 1500 beginnen. Jaartallen die dikwijls als beginpunt worden genomen zijn 1453, het jaar waarin de Ottomanen Constantinopel veroverden, 1492, het jaar van de ontdekking van Amerika door Columbus, en 1517, toen Luther zijn stellingen publiceerde en daarmee de reformatie inluidde.
Aangezien ten gevolge van de ontdekkingsreizen de hele wereld in deze periode voor het eerst in kaart werd gebracht en er bijgevolg voor het eerst contacten ontstonden tussen alle continenten, is het begrip 'Nieuwe Tijd' ook zinvol bij de beschrijving van de geschiedenis van niet-Europese volkeren en culturen. Men laat gewoonlijk de Nieuwe Tijd in een gebied beginnen als de eerste Europeanen er arriveren. Vooral bij de geschiedenis van het Amerikaanse continent staat deze periode ook wel bekend als de koloniale tijd.
Lange tijd lieten historici de Moderne Tijd, die dus òf beschouwd wordt als een hieropvolgende periode, òf als een onderdeel van de Nieuwe Tijd, beginnen rond 1800, kort na het uitbreken van de Franse Revolutie (1789), of in 1815, het jaar van het Wener Congres. Het is echter niet ongebruikelijk om een groot deel van de negentiende eeuw nog als vroegmodern te beschouwen, omdat de industrialisatie in Europa als een wezenlijk kenmerk van de Moderne Tijd wordt opgevat. De term 'vroegmodern' heeft dan ook vooral betrekking op de Westerse wereld en op Europa in het bijzonder, evenals 'Middeleeuwen' en 'Renaissance'.
[bewerken] Het einde van de Middeleeuwen
De Vroegmoderne Tijd werd ingeleid door een reeks van crises die de middeleeuwse maatschappij op haar grondvesten deed schudden. Met name de veertiende eeuw was een periode van crisis. Europa werd getroffen door verschillende rampen: hongersnood, boerenopstanden, en de Zwarte Dood van 1347 tot 1351.
Deze pestepidemie was vermoedelijk de ergste ramp die Europa ooit getroffen heeft. Hoewel het uiteraard onmogelijk is om het aantal slachtoffers te bepalen, zijn de meeste historici van mening dat binnen enkele jaren meer dan een derde van de bevolking omkwam ten gevolge van besmetting met de pestbacterie, Yersinia pestis. Hele dorpen raakten ontvolkt hoewel de pest dikwijls nog meer slachtoffers maakte in de overbevolkte steden. Plaatselijk bleef het koren op de velden staan, omdat er geen overlevenden waren om de oogst binnen te halen.
Handel en transport raakten ontwricht; het hele economisch leven werd ernstig verstoord. Lonen en prijzen ondergingen sterke fluctuaties met een grillig verloop; plaatselijk bereikten ze extreme waarden. Door de massale sterfte werden arbeidskrachten schaars en duur; tezelfdertijd zagen door de dood van werkgevers vele armen zich gedwongen landloper of bedelaar te worden. Overheden streefden loon- en prijsbeheersing na. Traditionele grootgrondbezitters zagen hun inkomsten slinken.
Nadien keerde de pest met enige regelmaat terug, onder andere in 1361-1362, 1369 en 1400-1402. Bij deze nieuwe epidemieën kwam steeds zo'n 10 tot 20 procent van de Europese bevolking om. Ook na 1402 bleef de pest tot in de achttiende eeuw terugkomen. Deze epidemieën bleven meestal beperkt tot bepaalde regio's en maakten daardoor minder slachtoffers.
Behalve de pest waren er nog enkele andere epidemische ziektes die veelal een dodelijke afloop hadden. Berucht waren tyfus, difterie, dysenterie, malaria en influenza.
In de dertiende eeuw hadden de Kerk en het pausdom het hoogtepunt van hun macht bereikt. De Kerk was een gecentraliseerd politiek instituut geworden; zij leek in de ogen van velen vooral de belangen van de clerus te behartigen en dreigde haar eigenlijke taak, de zielzorg, te verwaarlozen.
De koningen van de Hoge Middeleeuwen hadden geprobeerd een centraal gezag te vestigen en waren daar tot op zekere hoogte in geslaagd. De overheid was een groter aantal taken gaan vervullen. Dat kostte geld; de inkomsten uit de eigen domeinen van een vorst waren niet langer toereikend. Veel koningen introduceerden daarom nieuwe belastingen en streefden ernaar ook de adel en de steden te laten meebetalen. Rond 1300 probeerden de koningen van Frankrijk en Engeland, Filips de Schone en Edward I, ook aan de geestelijkheid, die veel land bezat maar in de regel geen belasting betaalde, belastingen op te leggen. Hierdoor kwamen zij in conflict met paus Bonifatius VIII.
Bonifatius VIII verbood iedere belasting van de clerus. In 1302 vaardigde hij de bul "Unam Sanctam" uit, vermoedelijk de meest extreme van alle pauselijke bullen, waarin de paus het hoogste gezag in kerkelijke en wereldlijke zaken opeiste. Het deed de zaak van de paus geen goed. Franse soldaten probeerden de paus te ontvoeren. Dat mislukte, maar Bonifatius overleed korte tijd later. Onder druk van Frankrijk werd een Fransgezinde paus gekozen, die zich te Avignon vestigde. Hoewel deze stad destijds niet in Frankrijk lag, - de Rhône was een Franse grensrivier - stonden de pausen tijdens de hieropvolgende, zogenaamde 'Babylonische ballingschap' (1309-1377) sterk onder Franse invloed. Gezag en aanzien van pausdom en Kerk liepen hierdoor gevoelige schade op.
[bewerken] Oorlog en conflict
In West-Europa werd de politiek gedurende de veertiende en vijftiende eeuw gedomineerd door het langdurig conflict tussen Engeland en Frankrijk. In 1337 begon de Honderdjarige Oorlog tussen de twee landen. Bijna alle oorlogshandelingen vonden op Frans grondgebied plaats. De oorlog had ook trekken van een Franse burgeroorlog. Het Engelse koningshuis stamde af van Franse adel; Frans was de dominante taal aan het Engelse hof. Edward III en zijn nakomelingen waren verwant aan de Franse Valois. Als hertog van Guyenne regeerden zij over uitgestrekte lenen in het zuidwesten van Frankrijk.
Grote delen van Frankrijk werden verwoest. Bijna alle grote slagen werden door de Engelsen gewonnen. Mede dankzij de longbow slaagde hun leger van professionele soldaten er keer op keer in de Franse ridderlegers te verslaan. De Engelse koningen deden een serieuze poging om heel Frankrijk te veroveren. Ten gevolge van het heldhaftig optreden van Jeanne d'Arc keerde het tij uiteindelijk ten gunste van Frankrijk. Jeanne zelf werd gevangengenomen en in 1431 als heks verbrand. Zowel in Frankrijk als in Engeland werd een periode van nederlagen op het slagveld gevolgd door een gezagscrisis van de monarchie.
Aan het eind van de oorlog (1453) bleef Calais als enige Franse stad Engels bezit. Een eeuw later zou ook die verloren gaan. De Honderdjarige Oorlog heeft in hoge mate bijgedragen aan het ontstaan van een Frans en een Engels nationaal bewustzijn. Op termijn kwam de Franse monarchie versterkt uit het conflict tevoorschijn. Een nieuwe speler op het politieke toneel was het Bourgondische rijk, dat ontstond in het grensgebied tussen Frankrijk en het Duitse Rijk.
Terwijl gedurende de Hoge Middeleeuwen het centraal gezag in de meeste Europese landen was versterkt, zette zich gedurende de Late Middeleeuwen een tegengestelde ontwikkeling in. In economisch en demografisch opzicht verliep de vijftiende eeuw gunstiger dan de veertiende; de politieke onrust en ordeloosheid nam echter in de meeste landen verder toe. De meeste vorsten verkeerden in voortdurende geldnood. Om belasting te heffen moesten zij onderhandelen met de standenvergadering - vaak parlement genoemd - en aan de eisen van geestelijkheid, adel en burgerij tegemoetkomen.
In de veertiende eeuw hadden opstandige baronnen in Engeland tweemaal de afzetting van hun koning bewerkstelligd, met instemming van het Parlement. In 1327 werd Edward II afgezet, in 1399 Richard II. Een dergelijke gebeurtenis was zonder precedent in de Engelse geschiedenis. Na de afzetting van koning Richard vormden zich adellijke facties die elkaar met geweld bestreden. De aristocratie vormde eigen legers en gebruikte die om rechters en jury's, en zelfs het Parlement te intimideren. Het conflict binnen de aristocratie bereikte zijn hoogtepunt gedurende de Rozenoorlogen (1455-1485).
In Oost-Europa maakten de Mongolen sinds 1240 de dienst uit. Op de Balkan veroverde het Ottomaanse Rijk in een gestage opmars de laatste resten van het Byzantijnse Rijk. In 1389 werden de Serven in de slag op het Merelveld bij Kosovo verpletterend verslagen. Constantinopel viel in 1453. Daarmee kwamen verreweg de meeste Grieks-orthodoxe christenen onder de heerschappij van de Turken, die tamelijk fanatieke aanhangers waren van de islam. Europa is in deze periode wel vergeleken met een belegerde veste.
Uniek aan Europa was het bestaan van een groot aantal territoriale staten. Wel was de tendens waarneembaar van een vermindering van het aantal feitelijk zelfstandige politieke eenheden. Vorsten streefden er voortdurend naar om door huwelijk en erfopvolging, dan wel door geweld hun territorium te vergroten. Veelvuldig werd de strategie van het zogenaamde dubbelhuwelijk toegepast, waarbij tegelijkertijd een prins en een prinses, broer en zus, huwden met twee partners uit een andere dynastie. Een voorbeeld hiervan is het dubbelhuwelijk van 1385, waarbij de huizen Beieren en Bourgondië zich met elkaar verbonden. Behalve de politiek van de vorsten speelden ook sociale en economische factoren een rol. De laatmiddeleeuwse maatschappij was sociaal sterk gedifferentieerd. Adel en steden, handel en industrie hadden veelal tegengestelde belangen. Verder was er sprake van schaalvergroting: oorlogen richtten meer schade aan en maakten meer slachtoffers.
Het statensysteem zoals dat ontstond was door niemand gewild, maar was het resultaat van voortdurende conflicten en tegenstrijdige ambities. Oorlogen hadden dikwijls heel andere gevolgen dan wat de aanvallers voor ogen stond.
In deze periode ontstonden in West-Europa de eerste nationale staten, die zichzelf als volledig soeverein beschouwden en daar ook naar handelden. Dergelijke nationale monarchieën breidden hun macht uit ten koste van de macht van feodale heren en de Kerk; gedurende de Hoge Middeleeuwen was de paus meermalen als een soort rechter over de heersers opgetreden. In deze eeuwen werd een begin gemaakt met de opbouw van een ambtelijke hiërarchie. Zowel de vorsten als de adel werden in hun handelen beperkt door wetten en instellingen. Persoonlijke banden speelden weliswaar nog steeds een belangrijke rol, maar waren niet langer de enige manier waarop gezag werd uitgeoefend.
Er bestonden grote verschillen tussen de Europese staten wat betreft omvang, bestuursvorm en politieke structuur. Blockmans en Hoppenbrouwers onderscheiden de volgende typen staten: [1]
- vrije boerengemeenten in federatief verband (bijv. Oost-Friesland)
- autonome steden met hun agrarisch achterland (bijv. Neurenberg)
- heerlijkheden (bijv. Mechelen)
- federaties van autonome steden (bijv. Helvetische Confederatie)
- verbonden van steden (bijv. Duitse Hanze)
- regionale staten gedomineerd door één metropool (bijv. Venetië)
- kerkelijke vorstendommen (bijv. Utrecht)
- wereldlijke territoriale vorstendommen (bijv. hertogdom Bretagne)
- personele unies van territoriale vorstendommen (bijv. Henegouwen, Holland en Zeeland onder het Beierse Huis)
- koninkrijken (bijv. Portugal)
- personele unies van koninkrijken en/of territoriale vorstendommen (bijv. Engeland-Wales-Ierland)
- keizerrijken (bijv. Heilige Roomse Rijk)
[bewerken] De 'lange zestiende eeuw'
De historicus Fernand Braudel introduceerde een nieuwe cesuur als startpunt van het moderne Europa. Hij koos op basis van de prijsstijgingen vanaf 1450 dat jaartal als begin van wat hij de lange zestiende eeuw noemde. "When did the sixteenth century begin? ... The year 1500 was not the decisive year ... The sixteenth-century Price Revolution apparently was preceded by a Pre-Revolution in prices... It was characterized by a slow rise of about 50 per cent between 1450 and 1500." [2]
Gedurende de zestiende eeuw was Spanje, dat geregeerd werd door de Habsburgers, de dominante macht in Europa. De macht van de Habsburgers bereikte haar hoogtepunt onder de vorsten Karel V van het Heilige Roomse Rijk (1516-1556) en zijn zoon Filips II van Spanje (1556-1598). De laatste Habsburger op de Spaanse troon was Karel II (1665-1700).
[bewerken] Demografische ontwikkeling
Gedurende de zestiende eeuw nam de bevolking van Europa met ongeveer 20 miljoen inwoners toe. De totale bevolking in 1600 wordt op 80 à 90 miljoen geschat. Frankrijk en de Duitse staten hadden toen allebei ongeveer 20 miljoen inwoners, Rusland binnen zijn toenmalige grenzen ongeveer 10 miljoen.
In 1600 waren Peking, Constantinopel, Agra in India, Osaka in Japan en Caïro de grootste steden ter wereld. Daarmee vergeleken waren de meeste Europese steden maar klein. Peking en Constantinopel hadden vermoedelijk allebei meer dan een half miljoen inwoners. De grootste Europese steden waren - na Constantinopel - Napels, Parijs en Londen. Napels en Parijs hadden allebei ongeveer 250.000 inwoners, Londen ongeveer 200.000. Andere belangrijke steden waren Adrianopel, Venetië, Sevilla, Milaan, Lissabon en Granada. Hun inwonertal wordt op ruim 100.000 geschat.[3]
Het waren vooral de steden aan de kusten van de Atlantische Oceaan die in betekenis toenamen, vanwege de ontdekkingsreizen en de koloniale expansie. Voorbeelden hiervan zijn het reeds genoemde Sevilla en Lissabon, naast Antwerpen en Amsterdam. Ondanks de spectaculaire groei van een aantal steden was de algehele urbanisatiegraad nauwelijks hoger dan in de late Middeleeuwen.
[bewerken] Ontdekkingsreizen en koloniale expansie
In 1415 openden de Portugezen het tijdperk van de grote ontdekkingen — wat een voortzetting was van de overzeese kolonisatie van vooral de Italiaanse stadstaten — door de Noord- en West-Afrikaanse kust te verkennen. In 1488 bereikte Bartolomeus Diaz Kaap de Goede Hoop. In 1500 ontdekte Pedro Álvares Cabral Brazilië en in 1503 werd Cochin, aan de Indiase westkust, de eerste Portugese en dus Europese kolonie in Azië. Het monopolie van het Ottomaanse rijk op de doorvoer van Azië naar Europa was daarmee gebroken.
De Spanjaarden veroverden een nog groter koloniaal rijk dan de Portugezen in Amerika. De religie van de Azteken werd met wortel en tak uitgeroeid. De Azteken hadden de gewoonte om krijgsgevangenen massaal aan hun goden te offeren; dit werd als zeer schokkend ervaren. De Spanjaarden en de Portugezen spanden zich meer dan de latere Engelse en Nederlandse ontdekkingsreizigers in om het christendom wereldwijd te verbreiden.
[bewerken] Katholieken en protestanten
Ten gevolge van de reformatie kwam er een eind aan de religieuze eenheid van Europa. Voortaan was het continent verdeeld in een protestants noorden en een katholiek zuiden. Deze tweedeling uitte zich in allerlei aspecten van het maatschappelijk leven. Terwijl de katholieken gebruik maakten van alle middelen, beeld, kleur en geluid, om God te eren, streefden de protestanten naar soberheid en benadrukten zij het belang van het intellect. Dit leidde vooralsnog niet tot een vermindering van de angsten die de belevingswereld van de meeste gelovigen bepaalden: tot 1650 was het geloof in hekserij gemeengoed.
In protestantse landen verminderde de politieke invloed van geestelijken aanzienlijk. Tegelijkertijd nam de geleerdheid van protestantse geestelijken toe; velen van hen hadden theologie gestudeerd.
Van vrijheid van godsdienst was geen sprake, van tolerantie nauwelijks. In de regel gold het beginsel cuius regio, eius religio (”wiens gebied, diens gebed”): de vorst bepaalde de godsdienst, de onderdanen werden geacht hem te volgen. Slechts hier en daar werd vrijheid van geweten bepleit.
Desondanks ontstond er enige ruimte voor afwijkende religieuze opvattingen. Vervolgde minderheden konden uitwijken naar een ander land.
[bewerken] Reformatie in Engeland
Sinds 1531 had de katholieke, maar nietsontziende koning Hendrik VIII van Engeland vanwege zijn huwelijksperikelen een hevig conflict met de paus. Ondertussen won de protestantse reformatie aan invloed onder de Engelse bevolking; dit werd onbedoeld in de hand gewerkt door Hendriks breuk met Rome en de oprichting in 1534 van een Anglicaanse kerk.
Hendriks oudste dochter, Maria Tudor (1553-1558), was vurig katholiek en getrouwd met de Spaanse koning Filips II. Een kleine driehonderd protestanten werden als ketter in het openbaar verbrand. Dergelijke grootschalige executies zijn uniek in de Engelse geschiedenis. De Engelse historiografie heeft het Maria niet vergeven en haar regering als een waar schrikbewind voorgesteld. Ook haar bijnaam, "Bloody Mary", heeft zij hieraan te danken. Doordat Maria kinderloos stierf, werd zij opgevolgd door haar protestantse half-zuster Elizabeth.
Elizabeth I bevoordeelde de protestantse zaak, maar had in principe afkeer van gewetensdwang.[4] Zij werd door de paus geëxcommuniceerd, waardoor alle katholieken in beginsel als staatsgevaarlijk beschouwd werden. De door Spanje en Frankrijk gesteunde aanspraak van Maria Stuart op de Engelse troon en het plan van Guy Fawkes om de parlementsgebouwen op te blazen waren de bekendste gevallen van katholieke binnenlandse bedreiging van het regime.
[bewerken] Kunst
De ontdekking en verovering van de Nieuwe Wereld, met andere mensen en dieren, sprak sterk tot de verbeelding en inspireerde ook kunstenaars, onder wie Jan Mostaert († 1555). De indianen worden doorgaans als verward en hulpeloos afgebeeld.
De Nieuwe Tijd begon met de Renaissance. In de periode van de renaissancekunst waren vele kunstschilders actief met het vervaardigen van schilderijen. Door concentratie van economische macht was het mogelijk realistische schilderijen te laten maken; deze schilderijen waren namelijk zeer kostbaar, omdat het veel tijd kostte om ze te maken.
Vooral in Italië was dit een periode van artistieke hoogtepunten. Het was een periode van opvallende technische inventiviteit; de olieverftechniek werd uitgewerkt tot haar ultieme verfijning. Houtsnede en kopergravure waren veelgebruikte nieuwe technieken; nieuw waren ook de boekdrukkunst en het wiskundig en esthetisch uitwerken van het lineair perspectief.
In de Lage Landen begonnen kunstenaars steeds meer het dagelijks leven uit te beelden. Zeer kenmerkend voor de renaissance was een opkomend individualisme, hetgeen onder meer blijkt uit de gewoonte om kunstwerken te signeren. In de Middeleeuwen werd dit nooit gedaan, omdat men vond dat de kunstenaar het werk maakte ter ere van God en niet voor zijn eigen roem.
In de beeldhouwkunst werd een aantal innovaties toegepast, zoals de portretbuste en het ruiterstandbeeld, die rechtstreeks werden ontleend aan de Klassieke Oudheid. Bekend zijn vooral Donatello, Michelangelo en Leonardo da Vinci. Te onderscheiden is de vroege renaissance en de hoog-renaissance.
Gebouwen uit vroegere eeuwen moesten verdwijnen: Constantijns hoofdkerk boven Petrus' graf moest plaatsmaken voor een nieuwe kerk. De terugkeer van de klassieke kunst kwam vooral naar voren in de architectuur. Men bestudeerde de verhandeling van de Romein Vitruvius en mat antieke gebouwen op om vertrouwd te raken met de 'taal' van die architectuur (met vormen zoals frontons, eierlijsten, Dorische, Ionische en Korinthische zuilen; met de 'grammatica', de regels voor het bijeenvoegen van de onderdelen). Belangrijke Italiaanse architecten waren onder andere Filippo Brunelleschi, Palladio en Donato Bramante. Ook in andere landen is renaissance-architectuur te vinden, onder andere de vele grote Franse kastelen die in de vallei van de Loire werden gebouwd. Het bekendste renaissance-kasteel in Frankrijk is het kasteel van Fontainebleau.
[bewerken] Godsdienstoorlogen
Vele landen werden in de zestiende eeuw geteisterd door bloedige godsdienstoorlogen, gewapende strijd tussen katholieken en protestanten.
In Duitsland woedden die in de zestiende eeuw tussen 1522 en 1555, toen met de Vrede van Augsburg een voorlopig compromis bereikt werd waarbij de vele Duitse vorsten hun katholieke of lutherse geloof aan hun eigen onderdanen mochten opleggen. Andersdenkenden mochten vertrekken naar een vorstendom van hun eigen gezindte. In 1618 zouden de tegenstellingen tussen katholieken en protestanten weer in alle hevigheid losbarsten in de Dertigjarige Oorlog, waarbij zoals altijd pure machtspolitieke kwesties meespeelden en vele niet-Duitse mogendheden intervenieerden. Het godsdienstige compromis werd uiteindelijk in essentie opnieuw bevestigd.
In Frankrijk woedden vanaf 1559 de later zo genoemde hugenotenoorlogen, die de trekken van een burgeroorlog aannamen en gepaard gingen met Spaanse en Engelse interventie. Frankrijk leed daar vier decennia lang onder. Een dieptepunt was de Bartholomeüsnacht, de zogenaamde 'Bloedbruiloft' in 1572 in Parijs, waarbij duizenden protestanten werden vermoord. Een dergelijke slachtpartij lokte heftige reacties uit. Beide partijen begingen in deze oorlogen talloze wreedheden.
Op termijn ontstond in Frankrijk een derde groep: de "politiques". Aanhangers van deze richting kunnen als vroege pleitbezorgers van een seculiere staat beschouwd worden. Zij vestigden hun hoop op de monarchie en een sterk centraal gezag om een eind te maken aan de toenmalige anarchie en zagen in principe ruimte voor meer dan één godsdienst. Zij waren bereid met mensen van een andere gezindte samen te leven zolang deze de wet naleefden en de koning gehoorzaamden.
In 1589 werden zowel koning Hendrik III (de laatste van het Huis Valois) als Hendrik de Guise, de leider van de katholieken, vermoord. Dit maakte de weg vrij voor Hendrik van Navarre, de leider van de Franse hugenoten. Als Hendrik IV besteeg hij de troon. Daarvoor had hij wel een bekering tot het katholieke geloof over. Hij was de eerste koning uit het Huis Bourbon, dat tot de Franse Revolutie in Frankrijk zou regeren. In 1598 kon hij met het Edict van Nantes een einde maken aan de hugenotenoorlogen, waarbij een voor die tijd opmerkelijke godsdienstvrijheid voor de hugenoten bedongen werd.
In 1568 brak in de Lage Landen de Opstand uit tegen het katholieke bewind van Filips II, waarbij allerlei motieven een rol speelden, zoals hoge belastingdruk en inbreuk op gewestelijke privileges, maar waarbij ook de tegenstellingen tussen katholieken en protestanten een grote rol speelden. Uiteindelijk zouden de overwegend katholieke Zuidelijke Nederlanden in Spaanse handen blijven en de overwegend protestantse Noordelijke Nederlanden de soevereine Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden worden.
[bewerken] Europese statensysteem
De machtigste Europese staten lagen in het westen en oosten van het continent.
De Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604), waarin Spanje trachtte in Engeland een katholiek bewind te installeren, werd ter zee uitgevochten. Een invasieleger dat door de Spaanse Armada in 1588 naar Engeland moest worden gebracht, kon vanwege ongunstig weer en slechte Spaanse tactiek nooit voet aan wal zetten. Een paar kleinere invasiepogingen zouden ook mislukken. Engeland en Spanje bleven tot na Elizabeths dood in oorlog ter zee, maar Engeland bleef gespaard voor grootschalig geweld op eigen grondgebied en profileerde zich als maritieme en koloniale rivaal van het toen zeer machtige Spanje.
In de zeventiende eeuw werd in Midden-Europa de Dertigjarige Oorlog uitgevochten. Het liep uit op een nederlaag van de keizer en zijn Spaanse bondgenoot. Bij het einde van deze gruwelijke oorlog in 1648 verloor het Heilige Roomse Rijk als universeel westers keizerrijk iedere betekenis. De staat die overbleef, het Duitse Rijk, kende een zeer zwak centraal gezag. Het noorden van Italië had tot 1648 de iure deel uitgemaakt van het keizerrijk; de facto bestond het al eeuwenlang uit een groot aantal onafhankelijke stadstaten. Al sinds de inval van de Langobarden (568) was Italië politiek verdeeld. De Kerkelijke Staat en de republiek Venetië waren echter belangrijke spelers in de Europese politiek. In het zuiden lagen de koninkrijken Napels en Sicilië, die door Aragon waren veroverd. Tot het midden van de negentiende eeuw zou Italië een strijdtoneel blijven van lokale machthebbers, waaronder de paus, alsmede van Franse, Spaanse en Duitse veroveraars.
Rusland werd vanuit Moskou tot een eenheid gemaakt. Het was wel heel groot, maar tot in de achttiende eeuw te onderontwikkeld om de rol van een Europese grote mogendheid te kunnen spelen. De Vrede van Westfalen (1648) wordt wel gezien als de bezegeling van het 'Europa der staten'.
Het soevereiniteitsbeginsel werd theoretisch onderbouwd door de Franse rechtsgeleerde Jean Bodin (1530-1596). Hij behoorde tot de stroming van de "politiques". Volgens Bodin konden rust en vrede alleen bewaard blijven door de wetgevende macht, die hij als de belangrijkste beschouwde, volledig aan één macht toe te vertrouwen, bij voorkeur aan de vorst. Met zijn ideeën bereidde hij het latere absolutisme voor.
Europeanen gingen in deze tijd alle zeeën en oceanen bevaren. De Portugezen en de Spanjaarden waren daar aan het einde van de vijftiende eeuw mee begonnen; de Engelsen en de Nederlanders volgden een eeuw later; de Fransen verschenen pas in de loop van de zeventiende eeuw op dit toneel. De Russische expansie vanaf het einde van de zestiende eeuw ten oosten van de Oeral, die uiteindelijk tot aan de Beringstraat en zelfs tot in Alaska reikte, kan ook in dit verband genoemd worden.
[bewerken] Economische en sociale geschiedenis
Vanaf de zeventiende eeuw begon in West-Europa geleidelijk de welvaart toe te nemen. Dit uitte zich op allerlei manieren en bevorderde weer de economische activiteit. Het bankwezen begon zich te ontwikkelingen en er ontstonden nieuwe vormen van krediet. De landbouw werd productiever en dankzij technische verbeteringen nam ook de productiviteit in de mijnbouw en de ijzergieterijen toe. Er werden meer zeewaardige schepen gebouwd, evenals grotere havens en pakhuizen. Huizen werden ruimer en comfortabeler, terwijl het voedingspatroon gevarieerder werd.
Dankzij de toenemende welvaart namen de belastingopbrengsten toe, zodat regeringen grotere legers en meer ambtenaren konden bekostigen. De vraag naar boeken en kranten nam toe. Bovendien kon een groter deel van de bevolking dan voorheen zich met andere zaken bezighouden dan het primaire productieproces; meer mensen konden zich toeleggen op bestuur en organisatie, op onderwijs en wetenschap, op het doen van uitvindingen en het maken van ontdekkingsreizen, en op kunst en literatuur.
[bewerken] Elite- en volkscultuur
In dezelfde periode begon zich een kloof te ontwikkelen tussen de cultuur van de elite en die van het volk. Opmerkelijk hierbij was dat de elite de mogelijkheid bleef houden om deel te nemen aan uitingen van populaire cultuur, terwijl de cultuur van de elite voor de massa ontoegankelijk en onbegrijpelijk werd, omdat deze in de regel nauwelijks onderwijs had genoten. Er werd weliswaar tussen 1550 en 1650 een groot aantal nieuwe scholen gesticht, maar slechts een beperkte groep kon het onderwijs bekostigen. Pas in de loop van de negentiende eeuw kregen alle sociale klassen toegang tot het lager onderwijs.
Verschil in taal bevorderde sterk het groeiende onderscheid in cultuur. Terwijl het 'gewone volk' zijn eigen lokale dialect, patois of volkstaal (Volkssprache) bleef spreken, hadden zich 'nationale talen' ontwikkeld waarvan spelling en grammatica in de meeste West-Europese landen in de eerste helft van de zeventiende eeuw werden vastgelegd. Gedrukte teksten voor het lezende publiek verschenen in die nieuwe 'nationale talen'. Het Latijn handhaafde zich tot in de 19e eeuw voor wetenschappelijke publicaties. Gedurende deze periode ontwikkelde zich in Italië, Spanje, Frankrijk en Engeland een literatuur in de standaardtaal.
De cultuur van de elite verspreidde zich door gedrukte teksten, terwijl de populaire cultuur vooral een oraal karakter had en daardoor vaak weinig sporen heeft nagelaten. Dit bemoeilijkt het onderzoek naar volkscultuur in het algemeen. Populaire cultuur heeft in de regel een conservatief karakter. Geloof in magie was lange tijd nog zeer algemeen, ook nadat de elite hier geen geloof meer aan hechtte. Astrologie werd tot in de zeventiende eeuw als een wetenschap beschouwd; astrologen genoten groot aanzien. Dit element van de populaire cultuur heeft tot op de dag van vandaag stand weten te houden, getuige bijvoorbeeld de regelmatige optredens van astrologen op de commerciële televisie.
De cultuur van humanisme en renaissance was het exclusief domein van de elite. Het gedachtegoed van de reformatie verspreidde zich wel onder de lagere klassen. Ook de nieuwe wetenschappelijke inzichten en de verlichting bereikten aanvankelijk slechts een beperkte groep.
Ondanks de grote sociale verschillen waren er ook elementen in de cultuur die rijk en arm verenigden, in de eerste plaats de godsdienst, die nog altijd het dagelijks leven van alle standen en klassen regeerde. In de meeste landen was er slechts één kerk, hoewel soms andere gezindten oogluikend werden toegestaan. Zo was in Engeland een aanzienlijk deel van de middenklasse 'non-conformist', dat wil zeggen: niet behorend tot de Anglicaanse Kerk, en had een uitgesproken burgerlijk karakter. Op het platteland troffen rijk en arm elkaar doorgaans in het zelfde kerkgebouw; in de steden gingen de verschillende klassen ieder in hun eigen kerk ter kerke.
[bewerken] Dagelijks leven
Ondanks de toenemende welvaart gingen de leefomstandigheden van de armen er niet noemenswaardig op vooruit. Omdat er meer monden gevoed moesten worden, werd een groter deel van het landbouwareaal dan voorheen gebruikt voor akkerbouw. Er werd minder vlees gegeten dan in de Middeleeuwen. De tarwe die de boeren verbouwden werd opgegeten door de welgestelden. Zelf aten zij voornamelijk brood gemaakt van rogge, gerst of haver en in tijden van voedselschaarste eikels en wortels. In Frankrijk at men in de achttiende eeuw hoofdzakelijk brood, ongeveer een pond per dag. Het menu werd aangevuld met bonen en kool. Na 1750 konden meer mensen zich wittebrood permitteren.
Ook wat betreft hun huisvesting waren de verschillen tussen rijk en arm groot. Het was in de regel ongezond om in de dicht opeengepakte steden te leven. Alleen de welgestelden konden zich spiegels en vensterruiten van glas veroorloven. Op het platteland was zelfs een schoorsteen een teken van maatschappelijk succes. De armen aten uit houten kommen, die langzamerhand werden vervangen door vaatwerk van tin. Porselein werd in toenemende mate aangeschaft door de welgestelden. Ook meubels waren een luxeartikel. De middenklasse bezat gewoonlijk een bed en stoelen.
In 1600 waren geïmporteerde producten zoals koffie, thee, suiker en tabak een noviteit. Rond 1800 was de consumptie hiervan sterk toegenomen en voor iedereen behalve de allerarmsten betaalbaar. Ook wijn en bier werden goedkoper. Het aantal taveernes en koffiehuizen nam toe. In de grote steden waren dit populaire ontmoetingsplaatsen. De verschillende koffiehuizen hadden elk hun eigen clientèle. In de zeventiende eeuw begon men ook brandewijn, jenever en whisky te verhandelen.
Hierdoor werden - vooral in de steden - drankmisbruik en openbare dronkenschap onder de lagere klassen meer en meer een probleem. De prenten die William Hogarth (1697-1764) rond 1750 maakte van "Gin Lane" in Londen illustreren hiervan de uitwassen. Het toenemend aantal onwettige kinderen, die vervolgens vaak te vondeling werden gelegd, zal hierdoor mede veroorzaakt zijn. In 1780 werden in Parijs ongeveer 30.000 kinderen geboren en 7.000 te vondeling gelegd. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat deze deels afkomstig geweest zullen zijn van het omringende platteland.
[bewerken] Tijd van ontwikkeling en expansie
De belangrijkste machten in het zeventiende-eeuwse Europa waren het koninkrijk Frankrijk, het koninkrijk Spanje, het koninkrijk Engeland en de Nederlandse Republiek. Andere belangrijke machten waren het aartshertogdom Oostenrijk, het koninkrijk Zweden en het keurvorstendom Beieren.
West-Europa vervulde inmiddels een centrale rol in de wereldeconomie. Slaven werden gekocht op de kusten van Guinee. Deze werden onder andere te werk gesteld in de diamantmijnen in Brazilië. De Engelsen begonnen zich te vestigen in zogenaamde volksplantingen in Noord-Amerika. De oudste hiervan was Jamestown. Boston zou uitgroeien tot een belangrijke stad. De Nederlandse Oostindische Compagnie stichtte een factorij in Bengalen in de delta van de Ganges; de zeereis ernaartoe duurde bijna een jaar.
Uit het feit dat alle politieke grootmachten zich in deze periode in West-Europa bevonden blijkt al de dominantie van dit gebied. Hier ontwikkelden zich de moderne natuurwetenschappen, het kapitalisme, een gemechaniseerde industrie en parlementaire stelsels. Vanuit West-Europa zou de westerse beschaving met haar verworvenheden zich over vrijwel de hele aarde verspreiden. Alleen de Chinese beschaving bood lange tijd effectief weerstand tegen Europese inmenging. Europese intellectuelen beschouwden de Chinese beschaving doorgaans als gelijkwaardig of zelfs superieur.
Gedurende de zeventiende eeuw begon in West-Europa een ontwikkeling met verstrekkende gevolgen: een geleidelijk steeds snellere toename van wetenschappelijke en technische kennis. Tegelijkertijd nam aan de kusten van de Atlantische Oceaan de welvaart toe. De combinatie van deze ontwikkelingen droeg er in belangrijke mate toe bij dat de intellectuele elite zich de toekomst steeds optimistischer voorstelde. Tot dan toe had men zich een 'gouden eeuw' (aurea aetas) altijd in een ver verleden voorgesteld. Het nieuwe vooruitgangsgeloof bevorderde kritisch onderzoek en ondermijnde traditionele autoriteiten.
Rond 1700 kondigden zich al verschillende kenmerken van de Moderne Tijd aan: vertrouwen in de wetenschap en in de menselijke rede, het idee van aangeboren rechten van de mens en het idee van 'vooruitgang'.
[bewerken] Politieke theorieën: absolutisme, natuurrecht en rechtsstaat
Nieuw was in de zeventiende eeuw de theorie van het absolutisme, waarbij de macht gecentreerd werd in de koning, die steunde op een professionele bureaucratie. De theorie van het droit divin, het door God gegeven recht der koningen, werd gebruikt om onbeperkte macht van de monarch te rechtvaardigen. Volgens deze opvatting had de vorst zijn macht direct van God ontvangen en was hij alleen aan Hem verantwoording verschuldigd. Het duidelijkst verwoord is deze visie in de geschriften van Bossuet, bisschop van Meaux, met name in zijn "Politique tirée des propres paroles de l'Écriture sainte". Het was doorgaans vooral de adel die zich tegen de versterking van de koninklijke macht verzette; daarbij beriep deze zich bij voorkeur op feodale tradities.
Wellicht als gevolg van deze opkomst van het absolutisme groeide in de zeventiende eeuw de behoefte om de macht van de staat en de vorst te legitimeren. Tezelfdertijd ontstonden politieke stromingen die ernaar streefden deze macht te beperken en te baseren op een grondwet of constitutie. Voorheen was dit alles vooral bepaald door tradities en gewoonten. Nu beriepen beide richtingen zich bij voorkeur op het natuurrecht (natural law). Het idee dat het onderscheid tussen goed en kwaad, tussen rechtvaardig en onrechtvaardig, zelfstandig kon bestaan en niet afhankelijk was van het bestaan van God was geheel nieuw. Het geloof in de menselijke rede werd erdoor versterkt. Een dergelijke opvatting was in de Middeleeuwen ondenkbaar geweest. Een aantal jezuïeten dat deze opvatting huldigde werd in 1690 veroordeeld door de paus.
Het idee van een onveranderlijk natuurrecht werd door de intellectuele elite omarmd en vormde de basis van de verschillende politieke theorieën uit deze periode. Ook het door Hugo de Groot ontwikkelde volkenrecht kan in deze traditie geplaatst worden. Zijn boek, "De iure belli ac pacis", verscheen in 1625. Samuel von Pufendorf leverde ook een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van het internationaal recht door in 1672 een vergelijkbaar werk getiteld "De iure naturae et gentium libri octo" te publiceren. Zowel De Groot als Von Pufendorf meenden dat staten op basis van het recht dienden te handelen en omwille van het algemeen belang samen moesten werken. Zij bepleitten ook principes als het recht op vrije vaart en de onschendbaarheid van ambassadeurs.
De belangrijkste politieke denkers waren de Engelsen Thomas Hobbes en John Locke. Het absolutisme werd theoretisch onderbouwd door de filosoof Thomas Hobbes (1588-1679). Zeer vernieuwend aan de opvattingen van Hobbes was dat hij zijn theorieën niet baseerde op de Bijbel of de theologie, maar louter op rationele, seculiere argumenten. Hobbes was ervan overtuigd dat de soevereine macht van de vorst geen enkele beperking van die macht toeliet. In Engeland kreeg het absolutisme geen voet aan de grond. In de rest van Europa werd Hobbes bewonderd, maar nam men tegelijkertijd aanstoot aan zijn seculiere denktrant en vermeende atheïsme. In laatste instantie was ook Hobbes een voorstander van het idee van de rechtsstaat, die de macht van de vorst beperkte.
[bewerken] Kunst
Op de renaissance volgde aan het eind van de zestiende eeuw de barok, die voortbouwde op de renaissance, maar spoedig nieuwe wegen insloeg. In de loop van de tijd ontdekten veel heersers het effect van de dramatische barok; zo werd de stijl benut door het Vaticaan en ingeschakeld bij de contrareformatie. Door veel pracht en praal te gebruiken bij de bouw van nieuwe kerken probeerden de katholieken de gelovigen te imponeren en terug te winnen. In Frankrijk werd de barok aan het Franse hof veelvuldig toegepast. Koning Lodewijk XIV maakte dankbaar gebruik van deze stijl, die in Frankrijk was geïntroduceerd door kardinaal Mazarin, om het absolutisme uit te dragen. Hij liet het kasteel van Versailles bouwen. De barok werd dus vooral gebruikt om het publiek te imponeren en zich nietig te doen voelen.
De bouwkunst uit de barokperiode wordt gekenmerkt door het toepassen van weidse perspectieven en het veelvuldig gebruik van ovalen. Verder wordt er gebruik gemaakt van rijke en weelderige materialen, asymmetrie, vele versieringen en ingewikkelde patronen. Een van de bekendste barokke bouwwerken is de baldakijn van Bernini in de Sint-Pietersbasiliek, die is ontworpen door Gian Lorenzo Bernini. De schilderkunst uit de barok wordt gekenmerkt door het gebruik van extreem realisme, dramatische effecten en clair-obscur. Belangrijke schilders uit de Barok waren Caravaggio en Rubens.
[bewerken] Frankrijk
In de zeventiende eeuw slaagde Frankrijk erin aan de hegemonie van Spanje een eind te maken. Het werd zelf een bron van voortdurende zorg voor de rest van Europa. Vooral onder koning Lodewijk XIV (1643-1715), bijgenaamd de Zonnekoning, voerde het een op expansie gerichte politiek. Op cultureel gebied was Frankrijk ook lange tijd toonaangevend: de Europese elite sprak doorgaans Frans en imiteerde de hofcultuur van Versailles. De culturele dominantie van Frankrijk had invloed op allerlei aspecten van het leven in Europa, waaronder architectuur, tuinarchitectuur, literatuur, kleding en etiquette.
Vanaf 1661 was Lodewijk XIV, die toen drieëntwintig jaar oud was, zelf het hoofd van zijn regering. Enerzijds streefde hij er naar de grenzen van Frankrijk in noordelijke en oostelijke richting te verleggen door de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden, Franche-Comté en de Elzas.
Bovendien meende hij aanspraak te kunnen maken op Spanje en de landen van de Spaanse kroon, omdat hij getrouwd was met een zuster van koning Karel II. Aangezien Karel II kinderloos, ziekelijk en zwakzinnig was, zag Europa zijn dood met vrees en spanning tegemoet. Spanje bezat nog altijd een uitgestrekt koloniaal rijk, met name in Amerika. Indien Lodewijk XIV in zijn opzet zou slagen, dan zou de macht van Frankrijk zeer sterk toenemen.
Er was daarom reden om aan te nemen dat Frankrijk onder het bewind van de Grand Monarque streefde naar een "monarchie universelle".
Om hun politieke onafhankelijkheid veilig te stellen, waren andere Europese machten gedwongen samen te werken en als tegenwicht tegen de Franse hegemonie coalities te vormen. Aldus ontstond de theorie van het machtsevenwicht. Het doel van een dergelijke politiek was dus niet om de vrede te bewaren, maar om de eigen soevereiniteit te behouden. Morele of ideologische overwegingen speelden daarbij nadrukkelijk geen rol. Staten wisselden veelvuldig van coalitie, zelfs tijdens een oorlog.
Ook de kleinere Europese staten, zoals Denemarken, de Duitse vorstendommen, Portugal, Savoye, Venetië, Genua en Toscane speelden in dit statensysteem hun eigen rol. Iedere staat had zijn eigen machtsmiddelen, bestaande uit geld, schepen en/of een strategische positie, die een beslissende rol konden spelen tijdens een militair conflict.
Aanvankelijk was de politiek van Lodewijk XIV succesvol. Spanje werd meer en meer verzwakt. De belangrijkste tegenspeler van de Zonnekoning en de leider van verschillende anti-Franse coalities was Willem III, prins van Oranje, die later koning van Engeland en Schotland werd.
[bewerken] Engeland: de "Glorious Revolution" en John Locke
In Engeland vond in 1688 de zogenaamde "Glorious Revolution" plaats, waarbij koning Jacobus II door adel en gentry werd afgezet. De macht van de koning werd voortaan beperkt door de Bill of Rights uit 1689, die in velerlei opzicht het karakter van een grondwet had. In de loop van de volgende eeuw ontwikkelde zich hier een parlementair stelsel. Koningen konden niet langer regeren zonder steun van het Parlement.
De revolutie werd gerechtvaardigd door de ideeën van de filosoof John Locke (1632-1704). Rond 1680 had Locke "Two Treatises of Government" geschreven, dat kort na de "Glorious Revolution" werd gepubliceerd.
Het politieke denken van Locke was in vele opzichten een voortzetting van de traditie van de dertiende-eeuwse filosoof Thomas van Aquino en andere scholastici. Zij waren van mening dat ook aan de macht van een koning grenzen gesteld waren. Anderzijds deelt Locke een aantal inzichten met Hobbes: ook hij baseert zijn opvattingen op seculiere overwegingen, op de rede en de gerechtigheid, en niet op de goddelijke Voorzienigheid. Beiden zijn van mening dat de macht van de staat berust op een in het verleden gesloten overeenkomst. Locke houdt er echter een aanzienlijk positiever mensbeeld op na. Hij meent dat de mens ook in zijn natuurlijke staat met rede en een geweten begiftigd is.
Volgens Locke wordt de macht van een monarch beperkt door de rechten van het individu, het recht op leven, het recht op vrijheid, en door het eigendomsrecht in het bijzonder.
Hij stelt dat individuele burgers niet voldoende in staat zijn om hun individuele rechten en privébezit te verdedigen. Daarom is er een overheid ingesteld die dit wel kan. Volgens Locke zijn beide partijen echter aan regels gebonden als ware er een contract gesloten. Als de overheid de aangeboren rechten of het eigendom van de burgers aantast dan hebben deze in het uiterste geval het recht om in opstand te komen.
De ideeën van Locke waren zeer invloedrijk, met name in de Engelse koloniën in Noord-Amerika. Zowel de "Declaration of Independence" als de grondwet van de Verenigde Staten zijn sterk door zijn politieke filosofie beïnvloed en bevatten hier en daar zelfs citaten. Op termijn zou ook West-Europa kiezen voor constitutionele stelsels.
In veel opzichten waren de opvattingen van Locke de belichaming van de belangen van de Engelse grootgrondbezitters, de adel en de gentry. Verzet tegen het absolutisme van die dagen werd erdoor gelegitimeerd.
Anderzijds werd het grote belang dat Locke hechtte aan particulier eigendom gebruikt om slavernij te rechtvaardigen. Om aannemelijk te maken dat negerslaven zich niet konden beroepen op hun eigen aangeboren rechten ontstonden in de achttiende eeuw nieuwe racistische theorieën.
[bewerken] De Nederlandse Republiek
De zeventiende eeuw was in veel opzichten het hoogtepunt van de Nederlandse geschiedenis. De Republiek was ontstaan gedurende de lange vrijheidsstrijd tegen Spanje. De Republiek was vooral geducht als economische macht en vanwege haar oorlogsvloot. Er waren in deze periode verschillende staten in Europa met een republikeins staatsbestel: de Zwitserse kantons, Venetië en Genua. Uniek aan de Nederlandse Republiek was haar uitgesproken burgerlijk karakter. Er was weliswaar adel in de gewesten aanwezig, maar deze had slechts marginale invloed op het landsbestuur. Het hoogste bestuursorgaan waren de Staten-Generaal, Hunne Hoogmoogenden, die gewoonlijk in het zwart gekleed gingen.
[bewerken] Economische expansie; de VOC
In 1600 bezaten de Nederlanders al zo'n 10.000 schepen; zij bevoeren alle zeeën en oceanen. Het leeuwendeel van de West-Europese handel werd in de zeventiende eeuw vervoerd door Nederlandse schepen. Zij beheersten niet alleen de handel tussen Spanje, Frankrijk, Engeland en de Oostzee, maar ook een groot deel van de kustvaart tussen Franse havens onderling. Zelfs Franse wijngaarden waren particulier bezit van Nederlanders. De handel met de landen rond de Oostzee, de zogenaamde 'moedernegotie', was verreweg het belangrijkst. Ook de handel met de landen rond de Middellandse Zee was van belang.
Nederlanders waren te vinden rond Spitsbergen, waar zij bijna als enigen op walvisvaart gingen, en op Kaap de Goede Hoop, die zij in 1652 op de Portugezen veroverden. De huidige Afrikaners stammen af van de Nederlandse kolonisten die zich daar in de loop der tijd vestigden. Via Kaap Hoorn bereikten zij de Stille Oceaan.
In 1602 was de Oost-Indische Compagnie opgericht. Het streven naar winst was bepalend voor het gevoerde beleid. Gedurende de zeventiende eeuw realiseerde de VOC grote winsten. De handel op Azië was qua omzet beperkt, maar zeer winstgevend.
Aan het einde van de zestiende eeuw waren Nederlandse schepen voor het eerst verschenen in de Indische Oceaan, waar zij zich tot geduchte concurrenten van de Portugezen in India en het Verre Oosten hadden ontwikkeld. Op Java stichtten zij Batavia, het huidige Jakarta, in 1619.
De Portugezen beheersten Malakka en daarmee de zeestraat tussen Sumatra en Maleisië. De begeerde specerijen, kruidnagel, nootmuskaat en foelie, werden ingekocht bij plaatselijke vorsten op de Molukken. Het streven van de Portugezen om daar de inheemse bevolking te kerstenen had tot gevolg dat de Nederlanders, voor wie dat geen prioriteit had, als bondgenoten werden binnengehaald. Dit vergemakkelijkte het verdrijven van de Portugezen.
Engelse concurrenten werden in 1623 verdreven van Ambon, één van de Molukken. Zelfs Malakka werd in 1641 veroverd op de Portugezen. De VOC streefde naar een monopoliepositie en slaagde er goeddeels in deze af te dwingen, tot ongenoegen van de producenten. Bruut geweld werd daarbij niet geschuwd. Jan Pieterszoon Coen, de gouverneur-generaal, bestreed smokkelhandel in 1621 met een strafexpeditie naar de Banda-eilanden, waarbij 15.000 Bandanezen werden gedood of verdreven.
Pas aan het eind van de zeventiende eeuw begon de VOC te streven naar de beheersing van een groot deel van Java. Afgezien van de koffie die rond Batavia werd verbouwd, leverde het eiland weinig waardevolle producten voor de export. Slechts om Batavia en de voedselvoorziening daarvan veilig te stellen ging de compagnie ertoeover om haar grondgebied uit te breiden.
Kort na 1600 bereikten Nederlanders Japan. De Japanners verdreven vrijwel alle Europeanen in 1641 uit angst voor de invloed van het christendom. Zij besloten zich van de buitenwereld af te zonderen en onderhielden alleen nog contacten met een kleine Nederlandse kolonie op het eilandje Dejima bij Nagasaki. De Nederlanders zouden tot in de negentiende eeuw alle contacten van Japan met de rest van de wereld bepalen.
Op Sri Lanka (toen Ceylon genoemd), aan de Zuidindiase Malabar-kust en op Taiwan, dat in navolging van de Portugezen Formosa werd genoemd, werden voor kortere of langere tijd handelsposten ingericht. Tot een echt koloniaal bestuur over een noemenswaardig grondgebied kwam het hier niet.
In 1612 vestigden Nederlanders een kolonie op het eiland Manhattan. De West-Indische Compagnie werd in 1621 opgericht om de rijkdommen van Spaans en Portugees Amerika te exploiteren. Er werden kolonies gesticht in Guyana, in Pernambuco en Bahia in Brazilië en op Curaçao in het Caribisch gebied, die echter voor een groot deel weer verloren werden aan Engelse, Portugese of Spaanse concurrenten.
[bewerken] Culturele bloei
Pieter Corneliszoon Hooft was de eerste die rond 1600 de Nederlandse taal bewust ging cultiveren voor literaire doeleinden, naar Frans en Italiaans voorbeeld. Jacob Cats, Bredero en Joost van den Vondel waren andere hoofdrolspelers bij het ontstaan van een nationale literaire cultuur.
Verschillende eminente geleerden waren op het grondgebied van de Republiek actief. Hugo de Groot schreef "De iure belli ac pacis" en legde daarmee de basis voor het volkenrecht. Spinoza was een van de belangrijkste filosofen van de zeventiende eeuw. Swammerdam en Van Leeuwenhoek ontdekten door gebruik te maken van de microscoop het bestaan van micro-organismen.
De belangrijkste Nederlandse natuurwetenschapper was Christiaan Huygens (1629-1695). Hij verbeterde de telescoop, ontwikkelde het slingeruurwerk, ontdekte de ringen van Saturnus en ontwikkelde een golftheorie van het licht.
Dankzij de tijdloze schoonheid en de belangstelling voor profane onderwerpen van de Hollandse meesters kunnen wij ons een duidelijk beeld van deze cultuur en haar dagelijks leven vormen. De belangrijkste schilders waren Frans Hals, Rembrandt van Rijn (1606-1669) en Johannes Vermeer.
Op Rembrandts schilderij "De Staalmeesters" zien wij de Hollandse elite afgebeeld, berekenende en gestrenge kooplieden in sobere, zwarte kledij. De 'staalmeesters' waren de hoofden van het lakengilde, handelaren in stoffen. Behalve portretten van tijdgenoten schilderde Rembrandt ook bijbelse taferelen met een vaak mystieke inslag; ook maakte hij talloze etsen en tekeningen.
Op het schilderij "De Geograaf" van Vermeer uit 1669 zien wij een geleerde die zich met een passer in de hand buigt over een kaart; als gevolg van de ontdekkingsreizen is de wereld groter geworden: een onbekende horizon heeft zich geopend.
De officiële religie in de Republiek was het calvinisme. In het begin van de zeventiende eeuw had zich een scheuring binnen de Gereformeerde Kerk voorgedaan. De 'rekkelijken', volgelingen van de theoloog Arminius, stonden tegenover de 'preciezen'. Centraal stond daarbij het leerstuk van de predestinatie. Op de internationale Dordtse synode, waar ook afgevaardigden uit Schotland, Engeland, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland aanwezig waren, werd in 1618 de leer van Arminius tot ketterij verklaard. Hugo de Groot vluchtte naar Frankrijk.
Vanaf 1632 werden de Arminianen getolereerd, evenals de grote katholieke minderheid. Ook joden en christelijke sekten zoals de wederdopers werden tot de Republiek toegelaten. Wel genoten leden van de officiële kerk aanzienlijk meer politieke en economische rechten.
In de Republiek heerste een relatief tolerant artistiek en intellectueel klimaat. Daarom verbleven bekende denkers als René Descartes en Pierre Bayle lange tijd in de Republiek om daar ongestoord te kunnen werken. Er waren echter grenzen aan die tolerantie. Balthasar Bekker ondermijnde met zijn boek "De betooverde wereld" (1691) het geloof in hekserij en trok het bestaan van de duivel in twijfel. Hiervan heeft hij veel moeilijkheden ondervonden, al kwam hij niet in de gevangenis of erger. De vrijdenker Adriaan Koerbagh stierf echter in het rasphuis, omdat hij ver over de schreef was gegaan. Spinoza kon lang niet al zijn geschriften tijdens zijn leven publiceren, zeker niet onder zijn eigen naam.
[bewerken] Achttiende eeuw
De politieke grootmachten in het achttiende-eeuwse Europa waren het koninkrijk Frankrijk en het koninkrijk Engeland. De in Utrecht en Rastatt gesloten vredesverdragen hadden in 1713/14 een einde gemaakt aan de Spaanse Successieoorlog. In Midden-Europa streden het koninkrijk Pruisen en de Oostenrijkse Habsburgers om de hegemonie in het Duitse Rijk. Het politiek gewicht van Rusland, dat onder invloed stond van westerse ideeën, nam in deze eeuw sterk toe.
1720 was het jaar van de 'Bubbles'. In Frankrijk had de Schot John Law geprobeerd de overheidsfinanciën te saneren door een deel van de staatsschuld over te dragen aan de Mississippicompagnie. Toen de zeepbel uiteenspatte, waren talloze investeerders hun geld kwijt. Een vergelijkbaar incident in Engeland had minder nadelige gevolgen: de Bank of England doorstond de crisis.
[bewerken] Handelscompagnieën
In vele West-Europese landen waren gedurende de zeventiende eeuw zogenaamde 'handelscompagnieën' opgericht. Verreweg het meest succesvol waren de Nederlandse VOC en de Engelse East India Company. In alle gevallen had een regering de eigen 'nationale' compagnie een octrooi verleend en daarbij ook enkele soevereine rechten overgedragen. Bijna alle compagnieën hadden het recht om verdragen te sluiten met lokale vorsten, en om legers te mobiliseren. Koloniale overheersing was in de meeste gevallen niet het eigenlijke doel van de onderneming.
De compagnieën gaven aandelen en obligaties uit en wisten zo kapitaal aan te trekken. Een dergelijke vorm van beleggen was nieuw. Handels- en staatsfinanciën raakten met elkaar verweven.
[bewerken] Kunst
Als uitloper van de barok ontstond begin achttiende eeuw de rococo. Soms wordt rococo ook wel beschouwd als laatste fase van de barok.[5] Kenmerkend voor de rococo is asymmetrie, elegantie, en een voorkeur voor het lieflijke en luchtige. In de schilderkunst en decoraties werden vooral zachte tinten toegepast, met name pastelkleuren. Wat betreft de decoraties zette de beweging van de barokstijl zich in de rococo voort, maar beweging werd nu gefragmenteerd en op kleinere schaal weergegeven. Monumentaliteit werd vervangen door lossere vormen, vrolijkheid en frivoliteit; de gekozen onderwerpen waren minder ernstig en plechtstatig. Dit viel samen met een versoepeling van de sociale en morele codes.
In de muziekgeschiedenis verstaat men onder rococo de stijl die zich ongeveer gelijktijdig ontwikkelde uit de barokmuziek. Rococo kenmerkte zich door intieme kamermuziek met uiterst verfijnde en overvloedige versieringen. De strenge polyfonie van de barok werd nog maar zelden toegepast. Bekende rococo-componisten waren Johann Christian en Carl Philipp Emanuel Bach.
[bewerken] Opkomst van Pruisen; Frederik de Grote
Afgebeeld zijn de belangrijkste leden van de Berlijnse Academie. Links en profil Voltaire.
Een nieuwe belangrijke speler in de Europese politiek was het koninkrijk Pruisen, dat geregeerd werd door het geslacht der Hohenzollern. Vooral tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) bleek het een belangrijke macht.
Koning Frederik de Grote (1740-1786) speelde een belangrijke rol bij de opkomst van het land. Frederik de Grote was uitzonderlijk begaafd en in intellectueel opzicht een kind van zijn tijd. In zijn jeugd had hij de geschriften van Descartes, Bayle, Locke, Wolff en Voltaire gelezen. Evenals de verlichtingsfilosofen had hij sterk de neiging om met alle tradities te breken, in het bijzonder met die van zijn vader, die zich had laten leiden door de belangen van God, het Heilige Roomse Rijk en het Huis Hohenzollern. Religie beschouwde hij als min of meer absurd.
Waar Lodewijk XIV zich had beroepen op het droit divin, legitimeerde Frederik zijn macht door zich te beroepen op een overeenkomst (sociaal contract), waarbij de onderdanen de macht aan de vorst zouden hebben overgedragen. In deze visie was de vorst slechts 'de eerste dienaar van de staat'. Het belang van de staat en het belang van de vorst zouden synoniem zijn. Niet de heersende dynastie, maar het algemeen belang stond centraal. Het betekende overigens niet dat de macht van de vorst beperkt werd.
Frederik bevorderde kunst en wetenschap en liet vele nieuwe gebouwen optrekken in Berlijn, de hoofdstad, en Potsdam. Hij had de ambitie om van Berlijn het Athene van het noorden te maken en slaagde hier ook in. Hij schreef vele verhandelingen, waarin hij het programma van de verlichting uitdroeg. Daarnaast correspondeerde hij met geleerden en philosophes, onder wie Voltaire. Evenals velen van zijn tijdgenoten beschouwde hij het Duits als een barbaarse taal. Frederik schreef bij voorkeur in het Frans. Veelzeggend zijn de titels van zijn geschriften, zoals bijvoorbeeld zijn "Essai sur les formes de gouvernement et sur les devoirs des souverains" (1777).
De belangrijkste vertegenwoordiger van de Duitse Aufklärung was Christian Wolff (1679-1754), hoogleraar aan de Universiteit van Halle. Frederik Willem I had hem wegens 'immoraliteit' ontslagen. Wolff, die beweerde de gehele wetenschap te beheersen, droeg in belangrijke mate bij aan de verspreiding van de verlichting in Duitsland; ook Wolff onderschreef het idee van een 'sociaal contract'. Duitsland telde meer dan vijftig universiteiten; vele docenten waren leerlingen van Wolff. President van de Berlijnse Academie was Maupertuis (1698-1759), wiskundige en astronoom.
Evenals vele andere intellectuelen bracht ook Voltaire (1694-1778) enkele jaren aan het hof van Frederik de Grote door. Na drie jaar kwam het echter tot een breuk: in 1753 verliet Voltaire Berlijn, dat hij had leren kennen als een kazernestaat. Hij was teleurgesteld in het karakter van de koning. Sommige historici zijn van mening dat Frederiks belangstelling voor de verlichting vooral een modeverschijnsel was.
Het martelen van verdachten werd door Frederik verboden.
[bewerken] India en de EIC
Voor de achttiende eeuw beperkte de politieke invloed van Europeanen in India zich tot enkele vestigingen langs de kust. De talloze oorlogen tussen Engeland en Frankrijk hadden tot gevolg dat men ook in India ging streven naar territoriale uitbreiding. De Fransman Joseph Dupleix onderwierp enkele Indiase vorsten in het zuidoostelijk kustgebied. Vanaf 1744 waren Europese legers in India gestationeerd. In 1754 werd Dupleix teruggeroepen; zijn werkgever, de Franse compagnie, vreesde dat een grootschalig conflict met de Engelsen tot verlies van de Franse koloniën zou leiden. De Zevenjarige Oorlog (1756-1763) verliep inderdaad zeer ongunstig voor Frankrijk. Belangrijk was vooral de slag bij Plassey (1757). De heerser van Bengalen, een bondgenoot van de Fransen, werd verslagen door de Engelsman Robert Clive. Dit was het begin van het Brits imperium in India.
Gaandeweg werd het verschil in beleid tussen de VOC en de Britse East India Company steeds groter. De VOC streefde vooral naar beheersing van de handel en dwong producenten lucratieve exportproducten af te staan. In India verwierf de EIC territoriaal bezit. De onderworpen bevolking moest voortaan de van oudsher geïnde belastingen aan de Engelsen afdragen.
Naarmate de achttiende eeuw voortschreed, begon het Britse parlement zich intensiever met de koloniën bezig te houden. In 1773 werd een wet aangenomen die alle Engelsen in India onder het politiek gezag van de regering plaatste. De regering hoopte hiermee een eind te maken aan het veelal eigenzinnige beleid van de East India Company.
[bewerken] Tijd van de grote revoluties
De Amerikaanse Vrijheidsoorlog leidde tot onafhankelijkheid zonder dat aan de belangen van de Amerikaanse elite schade werd toegebracht.
In 1763 werd de Vrede van Parijs gesloten. Daarbij moest Frankrijk bijna al zijn koloniën in Noord-Amerika aan Engeland afstaan. Slechts een decennium later kwamen de dertien koloniën in opstand tegen het moederland. In 1789 werd George Washington de eerste president van de Verenigde Staten. In datzelfde jaar brak in Frankrijk de Franse Revolutie uit. Het streven naar emancipatie van achtergestelde groepen was ontleend aan de verlichting.
Sommige historici, waaronder Palmer, menen dat deze gelijktijdigheid niet berustte op toevalligheden, maar dat de revoluties en opstanden een wezenlijk kenmerk waren van deze periode. Volgens deze opvatting waren het vrijwel overal dezelfde factoren, eenzelfde sociaal-politiek klimaat, die deze onrust in de westerse wereld veroorzaakten. In zijn gelijknamige boek spreekt Palmer van een 'age of the democratic revolution' , soms van een 'Atlantische revolutie'. Aan beide zijden van de oceaan was gedurende enkele decennia immers op grote schaal sprake van politieke onrust. Voorts wijst hij op overeenkomsten waar het de leuzen en kreten van de revolutionairen betreft.
Volgens Palmer was de onrust in belangrijke mate het gevolg van een toenemende belastingdruk. Een aantal monarchieën, waaronder Frankrijk en Engeland, hadden in de voorbije jaren enkele kostbare oorlogen gevoerd en grote schulden gemaakt. Het was vervolgens de aristocratie die met een beroep op overerfde tradities het verzet tegen de verhoging van de belastingen leidde. Daarbij bediende zij zich soms van democratische leuzen, zoals representatie en conventie. Palmer meende dat de adel bijna overal het maatschappelijk en politiek leven domineerde en zijn positie zelfs in de afgelopen decennia had versterkt. Nu was deze eropuit die dominante positie veilig te stellen. Dit streven naar versterking van haar positie door de aristocratie wordt gewoonlijk 'aristocratische reactie' genoemd.
Aldus moest de adel op termijn wel in conflict komen met de burgerij, die juist streefde naar een open elite en afschaffing van privileges op basis van geboorte en geloofsovertuiging. De burgerij wenste inspraak bij politieke besluitvorming. Democratische beginselen, zoals de verruiming van het kiesrecht, werden slechts door de meer radicale elementen binnen de burgerij nagestreefd. Pas in latere - meer radicale - fasen van de revoluties speelden dergelijke opvattingen een rol.
Als het begin van dit tijdvak van revoluties beschouwt Palmer de onlusten in Genève in 1768.
Franse historici maakten bezwaar tegen de these van Palmer, omdat deze het unieke karakter van de Franse Revolutie leek te ontkennen. Palmer wees de kritiek van de hand; hij beschouwde de Franse Revolutie zelfs als de climax; het effect van de revolutie was in Frankrijk aanzienlijk groter dan elders. Hij meende dit te kunnen verklaren door de scherpere sociale tegenstellingen van het "ancien régime" in Frankrijk. Dat de gebeurtenissen in Frankrijk ook dikwijls beslissende invloed hadden op ontwikkelingen in andere landen gaf Palmer volmondig toe.
Recenter onderzoek heeft echter aangetoond dat in Frankrijk de grens tussen adel en bourgeoisie, het meest welvarende deel van de burgerij, vervaagd was. Van een tegenstelling tussen adel en burgerij in hun totaliteit kon daarom geen sprake zijn. Er bestond immers al een elite van notabelen van gemengde komaf; de aristocratie bestond zelf uit verschillende groepen. Wellicht is het juist die gemengde elite geweest die de revoluties ontketende en mogelijk maakte.
[bewerken] Noord-Amerika
De Amerikaanse Revolutie had het karakter van een vrijheidsoorlog; zij was bovenal het gevolg van een streven naar nationale zelfstandigheid. Sociale veranderingen hadden geen prioriteit en bleven dan ook beperkt. Tot op zekere hoogte was de revolutie een burgeroorlog: sommige loyalisten bleven Engeland trouw.
Al kort na de Vrede van Parijs rezen er spanningen tussen de Britse regering en de koloniën in Noord-Amerika. Formeel gezien bezat de regering er verregaande bevoegdheden. De enorme afstand was echter een factor die aan de praktische uitvoering van het gezag duidelijk beperkingen oplegde. Het Parlement en de Board of Trade and Plantations hadden bovendien geen al te helder beeld van de situatie ter plaatse. Dwang en controle waren slechts mogelijk voor zover de koloniën eraan meewerkten.
Beroemd is de in 1787 door de vijfenvijftig Founding Fathers geschreven grondwet van de Verenigde Staten. Die grondwet is vooral het product van de gematigde krachten. Radicalen maakten slechts in beperkte mate deel uit van het illustere gezelschap.
[bewerken] Revoluties
Op politiek gebied zijn er in de Vroegmoderne Tijd een aantal breuklijnen aan te wijzen. Een aantal daarvan zijn revoluties. De belangrijkste daarvan zijn de Nederlandse Opstand in de zestiende eeuw, de Engelse Revolutie in de zeventiende eeuw, en de Amerikaanse en Franse Revolutie in de achttiende eeuw.
Het zal niet verbazen dat historici geprobeerd hebben deze revoluties met elkaar te vergelijken en daarbij te zoeken naar wetmatigheden en terugkerende patronen. Een belangrijke studie over dit onderwerp, "The anatomy of revolution", werd in 1938 gepubliceerd door Crane Brinton. Brinton onderscheidt een aantal revolutiefasen. Alle genoemde revoluties - behalve de Amerikaanse - bleken een 'radicale fase', veelal een schrikbewind, door te maken, waarna gestabiliseerde verhoudingen terugkeren. Deze fase van bureaucratische reglementering wordt doorgaans 'thermidoriaanse reactie' genoemd.
[bewerken] Gebeurtenissen
- secularisering
- ontwikkeling van de boekdrukkunst
- handelskapitalisme
- ontdekkingsreizen
- opkomst van nationale staten
- expansie van het Ottomaanse Rijk
- reformatie
- godsdienstoorlogen
- rivaliteit tussen Habsburg en Valois
- opkomst van literatuur in de volkstaal
- Tachtigjarige Oorlog
- Dertigjarige Oorlog
- Engelse Burgeroorlog
- Qingdynastie in China
- kolonisatie en verspreiding van de westerse beschaving
- opkomst van het absolutisme
- wetenschappelijke revolutie
- "Glorious Revolution"
- opkomst van Engeland en het Russische Rijk
- mondialisering van de economie
- verlichting
- Zevenjarige Oorlog
- Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog
- begin van de industriële revolutie
- Franse Revolutie
[bewerken] Belangrijke personen
- Petrarca
- Leonardo da Vinci
- Erasmus
- Albrecht Dürer
- Luther
- Karel V
- Filips II
- Hendrik IV
- Shakespeare
- Hugo de Groot
- de Richelieu
- Hobbes
- Descartes
- Rembrandt
- Christiaan Huygens
- Vermeer
- Spinoza
- Locke
- Van Leeuwenhoek
- Lodewijk XIV
- Newton
- Peter de Grote
- Voltaire
- Frederik de Grote
- Washington
- Goethe
- Napoleon I
[bewerken] Bibliografie
- Blockmans, W. en Hoppenbrouwers, P. (2002): Eeuwen des onderscheids. Een geschiedenis van middeleeuws Europa, Prometheus, Amsterdam.
- Frijhoff, W. en Wessels, L. (red.) (2006): Veelvormige dynamiek. Europa in het ancien régime, 1450-1800, SUN - OUNL, Amsterdam/Heerlen.
- Nicholas, D. (1999): The transformation of Europe 1300-1600, Arnold, London enz..
- Palmer, R.R., Colton, J. en Kramer, L. (2007): A history of the modern world, tenth edition, McGraw-Hill, Boston enz..
- Roorda, D.J., Buisman, J.W., Burger, J.E.J.M. et al. (1983): Overzicht van de Nieuwe Geschiedenis. De algemene geschiedenis van het einde der middeleeuwen tot 1870, Wolters-Noordhoff, Groningen.
[bewerken] Noten
- ↑ Deze indeling, inclusief de gegeven voorbeelden, is vrijwel letterlijk overgenomen uit Blockmans, W. en Hoppenbrouwers, P. (2002): Eeuwen des onderscheids. Een geschiedenis van middeleeuws Europa, Prometheus, Amsterdam, pp. 389,390.
- ↑ F.P. Braudel en F. Spooner: 'Prices in Europe from 1450 to 1500', The Cambridge economic history of Europe, deel 4, Cambridge 1967, p.401
- ↑ Vakhistorici komen bij deze schattingen tot uiteenlopende resultaten. De gegevens zijn ontleend aan T. Chandler en G. Fox (1974): 3000 years of urban growth, Academic Press, New York enz., p. 319.
- ↑ Haig, Christopher (2000) Elizabeth I, p. 43
- ↑ "Rococo", kunstbus.nl
