Algemene Plaatselijke Verordening
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Algemene Plaatselijke Verordening (APV) (vroeger Algemene Politie Verordening genoemd) is de in Nederland gangbare term voor door de gemeente uitgevaardigde (lagere) wetgeving. De Gemeentewet geeft gemeenten de bevoegdheid dit soort wetgeving uit te vaardigen. In de aanhef staat "gelet op artikel 147 eerste lid van de Gemeentewet en op de Algemene wet bestuursrecht". In bestuursrechtelijke termen is de APV gewoonlijk een algemeen verbindend voorschrift.
Inhoud |
[bewerken] Doel
Een APV is een regeling die geldt voor iedereen binnen de gemeente, en die vaak tot doel heeft de gemeente netjes en leefbaar te houden voor iedereen. Op grond van de gemeentewet mogen en moeten gemeenten verordeningen uitvaardigen en ook sanctioneren.
[bewerken] Bevoegdheid
Deze taak is door de gemeentewet opgedragen aan de gemeenteraad.
[bewerken] Voorbeelden
De volgende soorten bepalingen kunnen bijvoorbeeld in een APV worden opgenomen:
- Een afvalstoffenverordening voor het plaatsen en eventueel scheiden van afval.
- Regels voor het parkeren van onder andere auto's, fietsen en boten.
- Regels voor het aanplakken van biljetten.
- Regels voor het organiseren van evenementen.
- Een verbod op het drinken van alcoholische dranken en het bij zich hebben van een aangebroken verpakking in delen van de openbare ruimte van de gemeente.
- Voorschriften omtrent seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke.
- Verbod op het bij zich hebben van inbrekerswerktuigen.
- Bedelverbod.
- Verbod zich op de weg te begeven om drugs te verhandelen.
In probleembuurten kan de gemeente via de APV een samenscholingsverbod uitvaardigen. Enkele gemeenten hebben een vloekverbod in de APV opgenomen (o.a. Staphorst).
De meeste strafbare feiten betreffen:
- ordeverstoringen,
- het niet opruimen van hondenpoep,
- fout parkeren,
- afval te vroeg of te laat aan de straat zetten,
- fietsen in voetgangersgebied,
- het aanplakken van biljetten op andere plaatsen dan de daartoe bestemde borden en
- zonder vergunning collecteren (al dan niet voor de eigen portemonnee).
Het betreft dus niet direct schokkende delicten, maar ordeverstorend gedrag dat irritatie opwekt, of dat de gemeente geld kost (rommelmakerij).
[bewerken] Sancties
Voor de sancties geldt een maximum van hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. De strafbare feiten zijn overtredingen.
Deze straffen kunnen worden opgelegd door een rechter, op basis van vervolging door het Openbaar Ministerie.
[bewerken] Strafrecht of bestuursrecht
In veel gevallen kan een gemeente misstanden of overlast op twee manieren aanpakken:
- Door middel van strafrechtelijke handhaving.
- Met gebruikmaking van bestuursrechtelijke bevoegdheden.
Strafrechtelijke handhaving betekent dat de gemeente het ongewenst gedrag verbiedt door middel van de APV en bij overtreding aangifte kan doen bij het Openbaar Ministerie (OM). De rechter kan dan een straf opleggen. In veel gevallen biedt de gemeente eerst een schikking (transactievoorstel) aan dat inhoudt dat de burger een bedrag betaalt (informeel: "boete") ter voorkoming van strafvervolging.
Bestuurlijke handhaving betekent dat de gemeente een burger aanschrijft en opdraagt om de situatie in overeenstemming te brengen met de voorschriften (bijvoorbeeld het verwijderen van een verkeerd gestalde caravan). Daarbij kan een bestuurlijke boete of een bestuurlijke dwangsom in het vooruitzicht worden gesteld, die wordt opgeëist als de overtreding voortduurt.
Beide manieren van handhaving hebben nadelen:
- Bestuursrechtelijk optreden betekent dat de gemeente het zelf moet afhandelen, waar met name kleinere gemeenten vaak niet de capaciteit voor hebben. Daarnaast is het traject grotendeels onzichtbaar voor de (mede)burgers, wat het argument oplevert dat dit tot rechtsongelijkheid leidt en de indruk wekt dat de gemeente niets doet tegen dit dikwijls zeer storende gedrag.
- Als men het OM de zaak laat vervolgen moet men het eens zien te worden met het OM, dat zelf zijn prioriteiten kan stellen. Als het OM te veel tijd aan dit soort zaken besteedt, kan het onder kritiek komen: "heeft het OM niets beters te doen dan een rommelmaker voor de rechter te slepen?". Dit zal over het algemeen in het driehoeksoverleg met officier van justitie, burgemeester en politiechef aan de orde komen.
