Antithese (politiek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Met Antithese wordt in de Nederlandse politieke geschiedenis gedoeld op (het streven om te komen naar) een politieke tegenstelling tussen Christelijke, confessionele partijen en partijen op seculiere grondslag.[1] Deze tegenstelling was dominant in de Nederlandse politiek tussen 1888 en 1940. De confessionele partijen werden verenigd in de zogenaamde "coalitie".

Inhoud

[bewerken] Achtergrond

Het idee is ontwikkeld door de gereformeerde staatsman-theoloog Abraham Kuyper. Vóór 1888 werkten katholieken samen met de liberalen en waren protestanten actief binnen de conservatieve politieke stroming. Kuyper streefde naar politieke samenwerking tussen katholieken en protestanten. Zij werden verenigd door de principiële opvatting dat politieke soevereiniteit afkomstig was van God, in plaats van van het volk. Een belangrijk strijdpunt dat de katholieken van de liberalen scheidde en verenigde met de protestanten was de vrijheid van onderwijs, dat is dat bijzonder onderwijs evenveel overheidsfinanciering krijgt als openbaar onderwijs.

De antithese was een reactie, en een commentaar, op de dialectiek en het historisch determinisme van Karl Marx. Tegenover Marx' these dat de klassenstrijd de loop van de geschiedenis zou bepalen zette Kuyper en antithese waarin de tegenstelling tussen seculiere en christelijke krachten de bepalende politieke tegenstelling zou zijn. Daarmee dreef Kuyper een wig tussen christelijke en sociaaldemocratische arbeiders en hij verenigde alle klassen, de christelijke werkgevers, de christelijke middenstanders en de christelijke arbeiders in een enkele beweging die tegenover de sociaaldemocratie en het liberalisme kwam te staan.

Door de arbeidersstand te splijten maakte Kuyper een vijand van Troelstra die de antithese als een ondermijning van de klassenstrijd en de emancipatie van de arbeiders zag.

[bewerken] De antithese in de prakijk 1888-1946

In 1879 richtte Kuyper de Anti-Revolutionaire Partij, een partij op gereformeerde grondslag. Speerpunt van deze partij was een gelijke overheidsfinanciering van openbaar en bijzonder onderwijs. De politieke strategie van deze partij was de antithese: het verenigen van alle confessionele stromingen in één coalitie.

In 1888 slaagde ARP hierin. Het Kabinet-Mackay werd gevormd door katholieke en anti-revolutionaire ministers. Hierop volgde een periode van wisselende kabinetten van ofwel katholieken en protestanten dan wel liberalen. Ook electoraal kwam de antithese tot stand: Nederland had op dat moment een districtenstelsel. Ieder district had één vertegenwoordiger die verkozen werd in twee ronden. In de eerste ronde konden alle kandidaten deelnemen, in de tweede ronde slechts die twee kandidaten die de meeste stemmen hadden gekregen in de eerste ronde. De partijen die verloren hadden in de eerste ronde konden hun kiezers oproepen in de tweede ronde te stemmen op een bepaalde partij. Dit volgde vaak de scheidslijnen van de antithese: protestanten en katholieken riepen op om respectievelijk op een katholiek of protestant te stemmen en de verschillende liberalen stromingen riepen op om op liberalen te stemmen. De op dat moment groeiende Sociaal Democratische Arbeiderspartij voegde zich in dit verband bij de liberalen.

De antithese was beheerste op dat moment de politiek.[2] Het conflict over de gelijkstelling van bijzonder onderwijs werd op de spits gedreven. Er ontstond een "schoolstrijd". In politieke zin werd de tegenstelling tussen confessionelen en seculieren heel belangrijk. In die tijd werden Christelijke partijen als rechts beschouwd en seculiere (toen bijna allemaal liberale) partijen als links.

De verschillende politieke stroming hadden echter elkaar nodig om te komen tot een wijziging van de grondwet, die een tweederdemeerderheid vereist. In 1918 kwamen de verschillende stromingen tot een compromis: de Pacificatie van 1918. In een grondwetswijziging werd zowel de gelijkstelling van het bijzonder onderwijs geregeld als de uitbreiding van het kiesrecht (een belangrijk punt voor veel liberalen en sociaaldemocraten).

Tussen Tweede Kamerverkiezingen van 1918 en de vorming van het Kabinet-Colijn II in 1933 werd Nederland geregeerd door een coalitie van de katholieke RKSP en de protestantse ARP en Christelijk Historische Unie. Katholieken en protestanten vormde de kern van bijna alle kabinetten tussen 1933 en 1945.

[bewerken] De antithese na 1946

In 1945 werd de Nederlandse Volksbeweging op gericht, deze beweging streefde naar een nieuwe politieke tegenstelling. Niet langer moest de tegenstelling tussen seculier en gelovig de politiek bepalen maar de tegenstelling tussen progressief en conservatief. Progressieven van alle geloven en overtuigingen moesten verenigd worden in één partij.

De progressieve Sociaal Democratische Arbeiderspartij, Vrijzinnig Democratische Bond en Christelijk Democratische Unie richtte samen met progressieve katholieke en protestanten één gezamenlijke partij op: de Partij van de Arbeid. Deze wist echter weinig kiezers uit katholieke of protestantse kring te overtuigen. Op politiek gebied werd de antithese echter wel doorbroken: vanaf het Kabinet-Schermerhorn/Drees (1945-1946) tot het kabinet Kabinet-Drees III (1956-1959) vormden niet katholieken en protestanten maar katholieken en sociaaldemocraten de kern van de verschillende kabinetten.

Tot 1967 hadden de confessionele partijen een voortdurende meerderheid in de Tweede Kamer. Tot 1994 namen confessionele partijen aan alle kabinetten deel. Zij vormde een coalitie met dan wel de PvdA ofwel de conservatief-liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. In 1994 werd het kabinet-Kok I gevormd, het eerste kabinet sinds 1917 zonder Christelijke partijen.

[bewerken] Voetnoten

  1. Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op parlement.com
  2. Periode 1888-1918: Antithese op parlement.com
 
Persoonlijke instellingen
Boek maken
in andere talen