Begrotingstekort
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Een begrotingstekort ontstaat als de uitgaven van de Rijksoverheid in een jaar hoger liggen dan de inkomsten. De inkomsten bestaan uit de heffing van directe en indirecte belastingen, en niet-belastingontvangsten (dividenden uit staatsdeelnemingen en in Nederland vooral aardgasbaten). De uitgaven bestaan uit de bestedingen van de ministeries.
Het ministerie van Financiën financiert de staatsschuld door het uitschrijven van obligaties op de kapitaalmarkt. Aan het eind van de looptijd moet een obligatielening worden afgelost. Als de overheidsuitgaven hoger zijn dan de inkomsten, dan moet het af te lossen bedrag opnieuw geleend worden. Ook de aflossingen die gedaan worden op de staatsschuld behoren tot de uitgaven.
In de Miljoenennota die in Nederland op Prinsjesdag wordt gepubliceerd, wordt een begroting van inkomsten en uitgaven voor het volgende jaar gepresenteerd. De Najaarsnota geeft een tussentijds overzicht van het lopende begrotingsjaar.
Het begrotings- en het financieringstekort worden vaak vermeld als percentage van het BNP. Doordat het BNP op de middellange termijn door verschillende factoren toeneemt, neemt de relatieve staatsschuld af wanneer de absolute staatsschuld constant blijft.
Het begrotingstekort wordt ook wel de financieringsbehoefte genoemd. Het begrotingstekort wordt vaak verward met het financieringstekort en het overheids- of EMU-tekort.
Inhoud |
[bewerken] Financieringstekort
Er is sprake van een financieringstekort als de lopende uitgaven van het Rijk hoger zijn dan de inkomsten. De aflossingen op de staatsschuld worden dan niet meegerekend. Door het financieringstekort neemt de staatsschuld toe. In de politieke besluitvorming speelt het financieringstekort een grotere rol dan het begrotingstekort.
Als de lopende uitgaven lager zijn dan de inkomsten, dan is er sprake van een financieringsoverschot. In dit geval neemt de staatsschuld af. In Nederland is er zelden een financieringsoverschot geweest. Gezien de omvang van de staatsschuld is er nooit een begrotingsoverschot geweest.
| voorbeeld 1 | voorbeeld 2 | |
|---|---|---|
| inkomsten | 200 mld | 200 mld |
| uitgaven exclusief aflossingen | 205 mld | 195 mld |
| financieringsoverschot / -tekort | tekort 5 mld | overschot 5 mld |
| aflossingen | 20 mld | 20 mld |
| begrotingsoverschot / -tekort | tekort 25 mld | tekort 15 mld |
[bewerken] Overheids- of EMU-tekort
Het Stabiliteits- en Groei Pact, ingesteld door het in werking treden van de EMU stelt verschillende restricties aan het beleid van overheden met betrekking tot stabiliteit van de euro. De regels hebben betrekking op zaken die een verhogende invloed hebben op inflatie, zoals overheidsbestedingen, aangezien eurolanden geen invloed hebben op monetair beleid (dit wordt nu geregeld door de Europese Centrale Bank).
De EMU staat een overheidstekort toe van niet meer dan 3% van het BNP. Dit tekort bestaat uit een mogelijk financieringstekort, de saldi van begrotingen van lagere overheden en sociale fondsen.
Daarnaast dienen EMU-landen een staatsschuld van niet meer dan 60% van het BNP te hebben, of een percentage dat deze waarde in een bevredigend tempo nadert. Beide eisen zijn in 2000 versoepeld onder druk van Duitsland en Frankrijk met de argumentatie dat het beperken van extra overheidsuitgaven tijdens laagconjunctuur economische groei beperkt.
[bewerken] Huidige situatie
In 2007 hadden de Eurolanden een begrotingstekort van 0,6%, een historisch laagterecord. Voor alle EU-landen gezamenlijk bedroeg dit tekort 0,9%. In 2004 was dit nog 2,9% en 2,8% respectievelijk. De totale overheidsschuld bedroeg in 2007 in totaal 66,3 procent van het gezamenlijke Bruto Nationaal Product in de eurolanden en 58,7% in de EU-landen gezamenlijk. In 2004 was dit nog 69,5% en 62,0% respectievelijk[1].
[bewerken] Voetnoten
- ↑ Eurostat (18 april 2008). Euro area and EU27 government deficit at 0.6% and 0.9% of GDP respectively.
