Bijzonder onderwijs
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Het bijzonder onderwijs is een onderwijsorganisatievorm in Nederland die door anderen dan de overheid bestuurd wordt. Vaak is dit een stichting of een vereniging.
Particulieren, maar ook kerkelijke instanties, beginnen veelal een stichting of vereniging voor bijzonder onderwijs om een bepaalde levensbeschouwelijke, bijvoorbeeld godsdienstige, maatschappelijke of onderwijskundige, visie te kunnen vormgeven. Het bijzonder onderwijs kan dus onderverdeeld worden in confessioneel bijzonder onderwijs en algemeen bijzonder onderwijs. Van ouders wordt verwacht dat zij de visie en uitgangspunten van de school onderschrijven. Circa 60% van de scholen valt onder de noemer bijzonder onderwijs.
Het bijzonder onderwijs bestaat naast het openbaar onderwijs: onderwijs dat uitgaat van en bestuurd wordt door een overheid, vaak een gemeente.
Bijzonder onderwijs wordt soms verward met speciaal onderwijs, onderwijs met speciale aandacht en voorzieningen voor leerlingen met leermoeilijkheden, zoals ziekte, handicaps.
Inhoud |
[bewerken] Confessioneel bijzonder onderwijs
Dit onderwijs wordt gegeven op religieuze of levensbeschouwelijke basis, zoals:
- christelijk onderwijs:
- protestants onderwijs:
- katholiek onderwijs: het katholiek onderwijs wordt geregeld door het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs (ARKO)[1]. Hierin wordt ook de bevoegdheid van de Nederlandse Katholieke Schoolraad (NKSR)[2] geregeld.
- hindoeïstisch onderwijs
- islamitisch onderwijs
- joods onderwijs
[bewerken] Algemeen bijzonder onderwijs
Naast onderwijs op religieuze basis, bestaat er neutraal onderwijs, vergelijkbaar met openbaar onderwijs, maar niet vanuit de overheid aangeboden en onderwijs dat georganiseerd is basis van onderwijskundige methoden:
- Daltononderwijs
- Democratisch onderwijs
- Ervaringsgericht Onderwijs
- Freinetonderwijs
- Iederwijs
- Jenaplan
- Montessorionderwijs
- Sudbury-onderwijs
- Vrijeschool (Steinerscholen)
Bijzondere scholen kunnen ook een religieuze én een onderwijskundige grondslag hebben. Daarnaast kunnen openbare scholen ook een onderwijskundige grondslag hebben. Ook is het mogelijk dat confessioneel-bijzondere scholen en openbare scholen bepaalde aspecten van onderwijskundige ideeën toepassen in hun onderwijs zonder daarmee zichzelf te bestempelen als een school voor algemeen bijzonder onderwijs.
[bewerken] Schoolstrijd in Nederland
Voor 1917 werden de bijzondere scholen niet volledig door de overheid gefinancierd. Daar kwam in dat jaar verandering in als gevolg van de schoolstrijd. In artikel 23 van de Nederlandse grondwet[3][4] werd toen vastgelegd dat bijzondere scholen recht hebben op dezelfde financiële steun van de overheid als openbare scholen.
Als gevolg van de grondwetswijziging van 1917 kwam in 1920 de nieuwe Onderwijswet tot stand. Hierin is de financiële gelijkberechtiging verder uitgewerkt. In 2003 ontstond er discussie of deze financiële gelijkstelling wel gehandhaafd moet blijven, mede door de oprichting van islamitische scholen[bron?]. Hierbij gaat het voornamelijk over de vraag of het bestaan van het bijzonder onderwijs in het algemeen en islamitische scholen in het bijzonder wel of niet afbreuk doet aan de integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving. Tegenstanders[bron?] stelden dat het bijzonder onderwijs de integratie van deze minderheden zou belemmeren. Voorstanders[bron?] betoogden dat vrijheid van onderwijs een belangrijk grondrecht is.
[bewerken] Artikel 23 van de grondwet
De vrijheid van onderwijs en de financiële gelijkstelling tussen openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs is gebaseerd op artikel 23 van de grondwet.
De vrijheid van onderwijs, dat een internationaal erkend grondrecht is, staat in artikel 23 lid 2. De financiële gelijkstelling van openbare en bijzondere scholen staat in artikel 23 lid 6 en lid 7. De inhoud van artikel 23 staat op het punt van de financiële gelijkstelling soms ter discussie[bron?].
[bewerken] Zie ook
[bewerken] Externe link
| Referenties: |
|
