Drugsbeleid in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Marihuana museum in Amsterdam

Het Drugsbeleid in Nederland is gebaseerd op 2 principes:

1. Drugsgebruik is een kwestie voor de algemene gezondheid, geen criminele kwestie
2. Er is een verschil tussen harddrugs en softdrugs

Het Nederlands drugsbeleid is een pragmatisch beleid. Dit komt er op neer dat in geval van een probleem dat onoplosbaar lijkt, zoals het drugsprobleem, het beter is het onder controle te houden dan te trachten het met allerlei wetten in te dammen, vaak met tegengestelde resultaten. Ter vergelijking, de meeste andere landen zien drugsgebruik enkel als schadelijk voor de maatschappij en willen het daarom uitbannen, zelfs wanneer zulk beleid in de praktijk blijkt te falen. Dit heeft nogal eens voor onenigheid gezorgd met andere landen, voornamelijk Frankrijk en Duitsland.

Sinds 2004 gaat het beleid in België meer de kant op van het Nederlandse model, en ook enkele Duitse wetgevers dringen er op aan om te experimenteren op basis van het Nederlandse model. Zwitserland heeft lange verhitte parlementaire debatten gevoerd over het volgen van het Nederlandse model, maar heeft uiteindelijk tegengestemd in 2004; op het moment wordt er weer gesproken over een petitie aangaande het beleid.

Inhoud

[bewerken] Gedoogbeleid

In het kort houdt het gedoogbeleid in dat het gebruik van softdrugs niet verboden is, ware het onder gecontroleerde omstandigheden. Voor het gebruik van softdrugs geldt een minimumleeftijd van 18 jaar, en op het vergeven van softdrugs aan minderjarigen staan zware straffen. Alle handelingen met betrekking tot deze drug zijn strafbaar, met uitzondering van het gebruik ervan. Hoewel het strafbaar is, wordt het bezit van maximaal 5 gram cannabis of 5 hennepplanten niet strafrechtelijk vervolgd. De drugs kunnen echter wel in beslag worden genomen. Coffeeshops moeten zich houden aan bepaalde criteria, zo wordt de verkoop van maximaal vijf gram hasj of marihuana per transactie niet gericht opgespoord. Hoewel gebruik van deze drug in het algemeen gedoogd wordt, kan in de Algemene Plaatselijke Verordening anders zijn aangegeven.

[bewerken] Geschiedenis van het gedoogbeleid

In de voorgeschiedenis van het gedoogbeleid werd in de 17e eeuw door de Vereenigde Oostindische Compagnie opium betrokken uit de Bengalen. In 1745 werd de Amfioensociëteit opgericht die tot doel had de handel in opium te reguleren. Vanaf de 19e eeuw tot aan 1942 ging de invoer, bereiding en distributie van opium in Nederlands-Indië door de Nederlandse Staat via de zogeheten opiumregie. De Opiumwet treed in 1919 in werking die nadien meermaals is gewijzigd, onder meer in 1976 toen er onderscheid in kwam tussen soft- en harddrugs.

Het drugsgedoogbeleid ontstond rond 1970 als experiment en heeft altijd onder druk en kritiek gestaan van het buitenland. Aanvankelijk werd er weinig onderscheid gemaakt tussen de bestrijding van hard- en softdrugs. Dit leidde tot openlijke handel van harddrugs, onder andere op de Zeedijk (Amsterdam) en rond de Dam. De Leidsesluisbrug stond bekend als de Pillenbrug. Een kentering in het gedoogbeleid werd in de loop van de jaren '80 duidelijk zichtbaar met schoonveegacties van de Zeedijk en later Perron 0. Vanaf 1992 werden coffeshops gehouden aan de zogenaamde AHOJ-regelgeving, daarop streng gecontroleerd en bij overtreding gesloten. Het aantal coffeeshops daalt sindsdien gaandeweg door. Vanaf ongeveer 2002 worden nederwietplantages die vanaf de jaren '80 en '90 ook overdekt in woonhuizen in grote steden werden opgericht, intensiever door de politie opgespoord met behulp van helikopters met infraroodcamera's. De eigenaren van de plantages worden zwaar bestraft en uit hun huis gezet als zij daar kweekten. Vanaf 2009 zet de politie de onbemande cannachopper in om plantages op te sporen. In 2006 werd in Amsterdam een blowverbodsbord geplaatst en ook in sommige gemeenten is blowen in het openbaar inmiddels verboden.

[bewerken] Adviescommissie Drugsbeleid van de Donk, juli 2009

2 juli 2009 presenteerde de Adviescommissie Drugsbeleid in opdracht van het kabinet haar visie op het Nederlands gedoogbeleid. De “commissie van de Donk” stelt dat het gedogen van softdrugs op de schop moet. Het rapport “Geen deuren maar daden” bepleit dat gedogen van softdrugs moet stoppen. De keuze ligt op meer optreden tegen illegaliteit en meer reguleren, maar het duidelijker op lokaal regelen van de verkoop (legaliseren).

Allereerst dient het onderscheid tussen hard en softdrugs te verdwijnen. Ten tweede streeft de adviesgroep naar kleinschalige of zelfs besloten coffeeshop, waarbij het gebruik gereguleerd wordt. Verder dient er een aanscherping te komen in het optreden tegen illegale drugshandel (‘war on drugs’). Als laatste punt moet er meer aandacht naar jongeren gaan, een punt dat wordt ondersteunt door uitvoerig onderzoek van het Trimbos Instituut (2009). Het kabinet presenteert binnenkort haar maatregelen met betrekking tot het softdrugsbeleid.

Ten opzichte van het eerste punt van onderscheid tussen hard en softdrugs is uit onderzoek van het RIVM CAM (2008) “Risicoschattingsrapport cannabis” - in tegenstelling tot Van de Donk’s advies - gebleken dat dit onderscheid nuttig is en dat cannabis niet in een risicogroep valt zoals de harddrugs. Het tweede standpunt van besloten coffeeshop dient om drugstouristen tegen te houden, wat in de praktijk zal leiden tot illegale straathandel (dit is ook na het stoppen te gedogen van paddo’s gebeurd). Het derde aanpakadvies van war on drugs is een bekend politiek-geblindstaat fenomeen. Ideaal gezien is de consumptie vanuit maatschappelijk oogpunt nul, en dus is gedogen geen optie. Echter, het is efficiënter om niet te kiezen voor een verbod maar voor reguleren, en daar is de commissie onduidelijk over. Het rapport stelt dat gemeenten het recht krijgen de achterdeur van de coffeeshop (de aanvoer of teelt) te reguleren. Er is dus ruimte voor experimenten van gelegaliseerde softdrugsteelt door gemeenten in samenwerking met besloten coffeeshops. Dit model biedt eventueel ruimte voor beleidsmaatregelen voor stapsgewijs legaliseren van softdrugs.[1]

[bewerken] Opiumwet

De opiumwet is de officiële wet waar het drugsbeleid onder valt. Het gedoogbeleid echter, staat niet opgenomen in de opiumwet; iets wat nogal eens voor verwarring zorgt. Er wordt dan ook op aangedrongen om het gedoogbeleid op te nemen in een wet.

Zie Opiumwet voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • Adviescommissie Drugsbeleid olv van de Donk (2009). Geen deuren maar daden, Nieuwe accenten in het Nederlands drugsbeleid, Den Haag.[1_tcm34-201379.pdf]
  • Boermans, M.A. (2006). Softdrugs legaliseren? Paper Vrije Universiteit Amsterdam. [2]

http://issuu.com/martijnboermans/docs/legaliseren

  • RIVM CAM (2008). Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs. Risicoschatting cannabis 2008, Bilthoven.[1_tcm34-201382.pdf]
  • Trimbos/WODC: Evaluatie van het Nederlandse drugsbeleid.[3]
 
Persoonlijke instellingen
Boek maken