Vrouwenkiesrecht
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Het vrouwenkiesrecht is het actief en passief kiesrecht van vrouwen. Algemeen vrouwenkiesrecht werd voor het eerst ingevoerd in 1893 in Nieuw-Zeeland.
[bewerken] Nederland
Tot het begin van de 20e eeuw mochten in Nederland alleen mannen stemmen, als ze voldeden aan bepaalde eisen.
Bij de grondwetswijziging van 1917 werd het passief kiesrecht voor vrouwen ingevoerd, tegelijk met het algemeen kiesrecht voor mannen. In 1918 werd Suze Groeneweg voor de SDAP als eerste vrouw in de Tweede Kamer gekozen.
Op 15 mei 1919 diende het kamerlid Hendrik Pieter Marchant een initiatiefwet in tot instelling van actief kiesrecht voor vrouwen, waar, na de grondwetswijziging van 1922 in 1922 voor het eerst gebruik van kon worden gemaakt. De partijen die zich zo lang tegen het vrouwenkiesrecht hadden verzet, de protestantse en katholieke partijen, bleken er groot profijt van te hebben.
Het vrouwenkiesrecht werd in Nederland bevorderd door de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (opgericht in 1894) door Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs, die van 1903 tot 1919 voorzitter was.
In Nederland is thans alleen de SGP nog tegen het vrouwenkiesrecht.
[bewerken] België
In België waren onder andere Marie Popelin en Emilie Claeys voorvechtsters van het vrouwenstemrecht. Het was pas toen na de Eerste Wereldoorlog de democratiseringsbeweging op gang kwam dat vrouwen dit recht moeizaam verworven.
In de grondwetsherziening van 1921 werd het algemeen enkelvoudig stemrecht ingevoerd; dit systeem huldigde het principe van "één man, één stem". Vrouwen kregen enkel stemrecht op gemeentelijk niveau, grootoorlogsweduwen mochten echter ook op nationaal niveau hun stem uitbrengen. Toch werd de invoering van algemeen kiesrecht voor alle vrouwen in het vooruitzicht gesteld. Er werd een artikel in de grondwet opgenomen dat bepaalde dat het vrouwenkiesrecht in een bijzondere wet kon worden goedgekeurd. Dit zou pas gebeuren na de Tweede Wereldoorlog in 1948.
